Olie: lage prijs remt investeringen

Een dalende olieprijs is gunstig aan de pomp, maar is een slecht teken voor de economie. De afgelopen maanden is de olieprijs (Brent) in een vrije val geraakt. In april was een vat nog meer dan 120 dollar waard, inmiddels is dat nog geen 100 dollar.

Dat duidt op een langzamere groei van de wereldeconomie: Europa zit in crisis, Amerika hapert, China kampt met een groeivertraging. Een significante en langdurige daling van de olieprijs is niet alleen relevant voor Shell, maar ook voor AEX-fondsen die voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van oliebedrijven. Fugro speurt wereldwijd naar nieuwe bronnen. Boskalis legt olie- en gashavens aan en verleent maritieme diensten aan tankers Als de vraag en prijs van olie hoog zijn, is de kans groter dat deze bedrijven meer lucratieve contracten in de wacht slepen.

Het Internationaal Energieagentschap publiceerde deze week een rapport waaruit blijkt dat opkomende economieën volgend jaar voor het eerst meer olie behoeven dan de rijke OESO-landen. Ook verwacht het Energieagentschap dat er volgend jaar 1 miljoen vaten olie per dag verbruikt worden, een stijging ten opzichte van de 800.000 vaten per dag die dit jaar verbruikt worden.

Dat snelgroeiende economieën als China ook op de oliemarkt domineren is een gevolg van de toenemende welvaart. Voor autofabrieken ontstaat een tweedeling. De Duitse merken (Audi, BMW, Mercedes) doen het goed. Zij verkopen hun statussymbolen volop in Azië. Terwijl bij Peugeot, dat zich met middenklassers vooral op Europa richt, 14.000 arbeidsplaatsen verdwijnen. Voor Nederlandse toeleveranciers aan de auto-industrie, als AkzoNobel, moet het duidelijk zijn aan wie je het beste kan leveren.