Mijn wereld is niet ingestort

Er waren mensen die het recht in zijn gezicht zeiden. Er was de mail van Frans Timmermans en uiteindelijk wist Job Cohen zelf ook dat hij op moest stappen als partijleider. Vijf maanden later stelt hij de diagnose: onvoorbereid, te weinig dossierkennis en te beschaafd voor Wilders.

Is Job Cohen zen geworden? Hij oogt volstrekt ontspannen. De das is niet meer nodig. Hij is niet boos, hij is niet gefrustreerd. Er is van alles waar hij om moet glimlachen. Hij praat over zijn mislukte excursie naar de Tweede Kamer alsof het gaat over iemand anders, wiens sterke en zwakke punten hij met milde humor beziet.

Job Cohen (1947) had niet het gevoel dat hij de PvdA of het vaderland moest redden. Hij barstte niet van de ideeën die hij nu eindelijk wilde doorvoeren. Hij had nog jaren kunnen doorgaan als burgemeester van Amsterdam, de baan die hem paste als een maatpak.

De onvoorbereide leider

Het partijleiderschap was geen kwestie van: nu of nooit?

„Ik was al geruime tijd met Wouter Bos in gesprek. Die had me laten weten dat er een moment zou komen waarop hij wilde stoppen als partijleider. Hij dacht dat ik degene was die het moest overnemen. Als je kijkt hoe het gelopen is kan je je afvragen waarom hij dat dacht. Alles overziend wordt de hele gang van zaken het best omschreven door het woord ‘onvoorbereid’. In alle opzichten.

„Ik had wel een missie, dezelfde die ik in Amsterdam had: de boel bij elkaar houden. Want dat betekent uiteindelijk de sociaal-democratische opdracht, als je het mij vraagt: in de eerste plaats mensen niet uitsluiten, maar insluiten. Dus op het terrein van veiligheid niet alleen keihard repressief beleid voeren. Ik ben niet tegen streng, maar dat is niet het enige.

„In de tweede plaats denk ik dat heel grote materiële verschillen de maatschappij er niet beter op maken. Kijk naar Scandinavische landen, waar die verschillen niet zo groot zijn, waar je een overheid hebt die goed functioneert en die mensen in de gelegenheid stelt er op een behoorlijke manier aan mee te doen. Dat zijn belangrijke elementen die we de afgelopen jaren aan beide kanten van het politieke spectrum enorm gemist hebben.”

Zo had u willen regeren?

„Ja, en dus niet zeggen: eigen verantwoordelijkheid, punt, maar eigen verantwoordelijkheid, komma. Tuurlijk, iedereen heeft een eigen verantwoordelijkheid, maar er is meer dan dat. Je mag ook als samenleving wel een beetje omkijken naar mensen en hun kansen geven. Natuurlijk, mensen moeten die kansen pakken, maar daar moet je ook aandacht aan schenken. Ja, dat had ik wel graag gewild, ja.”

Dus uw missie was toch om premier te worden?

„Nou ja, nee... ”

Om minister te worden? Om te regeren?

„Dat wil iedereen, denk ik. Wat ik nou zelf had gedaan doet er niet zoveel toe – ik heb altijd gezegd: als we niet de grootste partij worden en we zitten wel in de regering, dan blijf ik vrolijk in de Kamer zitten. Dat was ik ook vast van plan. Het ging mij er wel om deze idealen – dat zijn het wat mij betreft – ook te verwezenlijken. Daar ging en gaat het om.

„Maar het leiderschap op zichzelf hoefde ik niet zo nodig. Ik zag ook niet zo goed wie het anders had moeten doen. Daarom was ik niet zo onder de indruk van alle opwinding en ontzag tot ver buiten de Partij van de Arbeid nadat ik op die vrijdagmiddag de sleutels had overgenomen, en daarom stortte mijn wereld ook niet in toen duidelijk werd dat het niet lukte. Ik ben natuurlijk wel teleurgesteld dat het niet werkte.”

U wist dat het verzoek eraan kwam en u was toch onvoorbereid?

„Ik wist niet hoe ik me erop moest voorbereiden, ook al omdat die voorbereiding in de verborgenheid had moeten plaatsvinden. Ik had onvoldoende idee hoe zo’n fractie werkt, wat de krachten zijn die er spelen. Ik wist globaal hoe het parlement werkt, maar weinig van de praktijk. Een paar maanden na m’n aantreden waren de verkiezingen van juni 2010 al. Ik was blij dat ik kon rekenen op de campagnestaf van Wouter Bos, zoals het ook puur behulpzaam van hen was dat die grotendeels het nieuwe verkiezingsprogramma schreven. Diederik Samsom was een van hen.

„Die campagne liep anders dan verwacht omdat in mei die heroverwegingsberekeningen uitkwamen, waardoor het debat over de economie ging in plaats van integratie en de sociaal-maatschappelijke onderwerpen waar ik sterker op was. Bij Wouter Bos hoefde je maar één keer te sparren en het kwam er voortaan precies zo uit als was besproken.”

Een moeilijk leesbaar

gezelschap

Heeft u zich ooit de pater familias gevoeld in die fractie?

„Nee, geen moment. Ik vond het een heel moeilijk leesbaar gezelschap. Het spijt me dat ik heb nagelaten Nebahat Albayrak en Frans Timmermans dichter naar me toe te halen in de fractieleiding. En misschien had ik Diederik Samsom dichterbij moeten halen. Een mengsel van zijn goede eigenschappen en de mijne, dat zou mooi zijn geweest. Met mijn bestuurlijke ervaring en kwaliteiten aan de ene kant, en aan de andere kant die van Diederik, met zijn ongeëvenaarde kennis en inzicht op duizend terreinen, van hoe dat allemaal in elkaar zit en welke kant hij daarmee op moet, terwijl we daar bovendien ongeveer hetzelfde over denken. Ik had altijd de grootst mogelijke moeite om wat daar allemaal gebeurde ook goed in mijn kop te hebben en te houden. En dat vermogen heeft hij als geen ander, hij heeft volgens mij een fotografisch geheugen. Die combinatie zou heel mooi zijn geweest. Maar ja, zulk soort mensen maken ze niet.

„In het fractiebestuur was Jetta Klijnsma iemand van wie ik het gevoel had dat ze onvoorwaardelijk achter me stond, en Sharon Dijksma – die moedigde me aan kilometers te maken aan de interruptiemicrofoon. Ronald Plasterk heeft ook steeds zijn schouders eronder gezet, hij was een belangrijke gesprekspartner.”

Hoe was uw ontvangst in de fractie, hoe is het in de loop van die twee jaar gegaan?

„In het begin was iedereen enthousiast en had er zin in en was net zo blij als zoveel anderen. Zonder enige twijfel. Er was ook een grote bereidheid om van alles te doen voor mij en voor het geheel. Ik kom uit een cultuur waarin ik die dingen graag samen doe, en dus ook veel overlaat en niet zeg, nou jongens, ik heb het allemaal gehoord en we gaan het zo doen. Ik probeer voortdurend met anderen samen tot ideeën en standpunten te komen. Misschien zit het ook wel gewoon in de functie, dat is iets wat ze niet gewend waren van een partijleider en waar ze ook niet zoveel mee konden .”

Maar het ontbrak u aan een team?

„Ik heb altijd gewerkt met de mensen die ik aantrof. Dat deed ik op de universiteit, als staatssecretaris op Onderwijs en Justitie en op het stadhuis van Amsterdam.

„Het is allemaal, bij iedereen, vanuit de beste bedoelingen gebeurd, maar het functioneerde niet goed. Dat antiautoritaire van mij is voor dit vak dus niet verstandig, heb ik geleerd.”

„Op een gegeven moment komt er geen kabinet tot stand en gaat het in de peilingen niet zo goed, dan is dat weer een enorme tegenvaller. Daar moet je met elkaar proberen uit te komen. Rond de Provinciale Statenverkiezingen ging het weer wat beter, maar gaandeweg is er bij een paar mensen ingeslopen: we moeten nog maar zien of we het met die Cohen gaan redden.”

Hoe is het memo-aan-de-fractie van Frans Timmermans, dat leidde tot uw val, uitgelekt?

„Timmermans schreef het naar aanleiding van een interview met Hans Spekman en mij in Trouw, waarin hij struikelde over een zinnetje waarin ik zei dat de SP en de Partij van de Arbeid zeer dicht bij elkaar stonden. Ik denk dat Frans dat interview één keer heeft gelezen en met name door dat laatste zinnetje over de SP boos is geworden, zijn mail heeft opgetikt en in goed vertrouwen op de knop ‘fractie’ heeft gedrukt. Ik geloof er niets van dat hij het zelf heeft laten uitlekken, ik zou niet weten waarom. Ik vermoed dat iemand dat heeft gedaan die dacht: zo, dan zijn we in één klap van die twee af. Mij heeft hij nooit verraden voor zover ik weet.”

Had hij moeite met uw Partij van de Arbeid-versie als SP Light?

„Volgens mij waren we allang op een aantal punten in die richting aan het denken. Een beetje weg van de Derde Weg: die marktwerking is doorgeslagen, daar moeten we wat aan doen, net als aan de doorgeslagen bonussen en topsalarissen.”

Was daarover in die maanden voorafgaand in de fractie discussie?

„Nee, niet echt. Ook het debat over Europa niet, dat liep helemaal niet langs dit soort lijnen.”

Hoe verliep uw laatste dag als fractievoorzitter?

„Het interview in Trouw en de e-mail van Frans Timmermans hebben niet de doorslag gegeven. Ik was al een hele tijd aan ’t nadenken over de vraag of ik moest doorgaan. Ik vroeg me af of ik de oppositie tegen het toen nog verwachte Catshuisakkoord zou kunnen leiden. Die dag stelde ik vast: ik ga het niet redden als fractievoorzitter van de grootste partij. Toen heb ik Jacques Wallage geraadpleegd. Mijn conclusie was: ik zie het me niet meer redden. Hans Spekman vond het niks. Die probeerde het me uit het hoofd te praten. Maar ik vond dat niemand er mee opschoot als ik het rekte.”

Wanneer had u zelf voor het eerst het gevoel: ik weet niet of al mijn fractiegenoten mij steunen?

„Zo heb ik nooit gedacht. Er zijn ook wel mensen naar me toegekomen die hebben gezegd: hoor eens, we geloven niet dat je het nog hebt, je moet ermee ophouden. Die mensen die hebben het ook recht in het gezicht gezegd hoor. Niet leuk maar wel eerlijk. Dat was in het najaar 2011.”

Zijn er mensen geweest die in die laatste maanden een radicale aanpak voorstelden? Of liet iedereen het gelaten vastlopen?

„Ja. Nou ja, gelaten, ook omdat ze niet wisten hoe ze het zouden moeten aanpakken. Ik geloof nog steeds niet allemaal in kwade trouw, hoor. Dat zal bij sommigen wel zo geweest zijn, daar twijfel ik niet aan, zonder dat ik nou precies weet wie het zijn. Maar ik denk dat bij veel mensen het gevoel was: hoor eens, we weten niet hoe we dit nou nog recht moeten trekken. Dat denk ik eerder.”

Wilders, Castricum

en de rest

Het publiek beoordeelt een fractievoorzitter aan de hand van een paar seconden in het Journaal, RTL Nieuws of PowNews. Wordt uw geloofwaardigheid bepaald door het moment waarop u bij Twan Huys de prijs van een halfje brood weet?

„Kijk, dat was de enige vraag die ik wel wist. Iedereen meent zich te herinneren dat ik de broodprijs niet wist. Dat is verkeerd in het collectief geheugen terechtgekomen. De journalist kan dat soort vragen stellen. Het is natuurlijk aan de ondervraagde om er goed mee om te gaan. Ik vind die eikels van PowNews verschrikkelijk, maar ik kan niet ontkennen dat zij iets toevoegen. Toen Mark Rutte, Maxime Verhagen en Geert Wilders hun coalitieakkoord presenteerden, stelde Rutger Castricum de terechte vraag waarom Rutte in het midden stond, en niet Wilders. Maar je moet er wel mee weten om te gaan.

„Op een gegeven moment zet zich iets vast in de manier van kijken naar iemand. In januari hadden we een bijeenkomst van drie partijen; SP, PvdA en GroenLinks. De SP was net aan het stijgen in de peilingen. Emile Roemer maakte een hele show op het toneel met schoonmakers. Ik hield daarna een goed verhaal. Dat werd daar goed ontvangen. De volgende dag stond in de Volkskrant: Roemer steelt de show. In de laatste alinea: Cohen was niet veel. Dat was niet het zinnetje van de journalist maar van de koppenmaker. Het frame stond vast. Probeer daar maar eens uit te komen. Dat wordt lastiger naarmate je er langer in gevangen zit. Dat zag je ook bij het gemeenschappelijk bezoek aan een sociale werkplaats, met Rutte en Roemer. Ik dacht dat we daarnaartoe gingen om samen een beeld te krijgen van wat daar gebeurt. Maar het ging heel ergens anders over. Ik vond het gênant, die mensen die worden gebruikt als decor om ons in het zonnetje te zetten. Daar krijg ik dan zo’n weerzin tegen, dan doe ik niet meer mee. Dat was een beetje dom.”

Heeft u het gevoel dat de publiciteit je slagvaardigheid onmiddellijk beïnvloedt, meer dan al het andere werk dat je verzet?

„Niet onmiddellijk, maar de vraag is ook in hoeverre dat wat er in de publiciteit komt nou zo ontzettend niet klopt met de werkelijkheid. Soms had ik dat gevoel wel, maar in een aantal gevallen niet. En in een heleboel gevallen was ik zelf ook ontevreden over optredens die ik had, die dan wel weer een weerspiegeling waren van hoe het ging.”

In de beeldvorming was Wilders altijd degene die u met de rubberen hamer op het hoofd sloeg. Hoe ervoer u het krachtenspel, in de eerste plaats tussen de fractievoorzitters?

„Ik vond het gedrag van Wilders eigenlijk stupide en daardoor moeilijk om antwoord op te geven. Waarschijnlijk was de enige strategie die in de buurt zou komen van succes om even hard terug te meppen. Dat is iets wat ik niet kan en niet wil, en wat mij totaal ongeloofwaardig gemaakt zou hebben omdat het niet bij mij past. Ik denk dat de anderen dat met samengeknepen billen hebben aangezien, ook niet precies wetend wat ertegen te doen en ook denkend: ‘Als het bij hem gebeurt, gebeurt het niet bij mij’.”

Denkt u nu weleens over het politieke klimaat waarin dat zo kon gebeuren, en waarin een redelijk mens als u niet kon slagen?

„Dat is natuurlijk wat er is gebeurd. Ik vind het politieke klimaat beroerd. Dat was ten slotte een van de redenen waarom ik dacht: ik wil die stap zetten.”

Als er geen plaats is voor een redelijk mens met grote bestuurlijke ervaring, wat voor mensen kunnen dan wel slagen?

„Nou ja, mensen die op de een of andere manier in dat debatklimaat wel in staat zijn om het op een goede manier te doen. Laten we wel wezen: daarin was ik niet goed genoeg. Ik had ook het gevoel, er zijn zo een paar mensen die zich op een vergelijkbare plek ook niet helemaal senang hebben gevoeld. Gerrit Zalm, Jaap de Hoop Scheffer, Enneüs Heerma. Je moet oppassen met te zeggen dat de Kamer in dit opzicht verschrikkelijk is veranderd. Het is ook een beetje van alle tijden. Bolkestein heeft het na een hele lastige beginperiode wel goed gedaan.”

Bood Rutte u in het laatste stadium van uw fractievoorzitterschap het vicepresidentschap van de Raad van State aan?

„Nee. Het was ergens in de zomer. We hadden een eetafspraak en toen vroeg hij: ‘Zou jij daarvoor in aanmerking willen komen? Dat zou de zaak natuurlijk wel heel anders maken.’ Ik zei: ‘Nee, dat wil ik helemaal niet.’ ”

Het was geen toezegging?

„Nee.”

Ook geen aanbod?

„Weet ik niet.”

Heeft u er een seconde over nagedacht?

„Zodra ik erover nadacht, heb ik gezegd: ‘Nee, dat kan niet vanuit deze positie.’ Ik zat daar als fractievoorzitter van één partij en dan word je toch niet opeens vicevoorzitter van de Raad van State?”

En als u nou minister van Binnenlandse Zaken was geweest, had u dan wel gevonden dat u het kon doen?

„Nee. Dat heb ik ook altijd gezegd, absoluut niet.”

Eén linkse club

Waarom koopt de kiezer met de Partij van de Arbeid geen SP Light en vindt hij bij Samsom dus het echte product?

„Europa is daarin een belangrijk element. Er zit heel weinig gevoel voor buitenland in de SP, die is sterk gericht op ons eigen land. Wat dat betreft staat de Partij van de Arbeid veel meer in een internationale traditie, die op dit ogenblik betrekkelijk prominent tot uitdrukking komt in de vraag: hoe ga je met Europa om? Dat is wel een heel andere houding.

„Het tweede element is dat de Partij van de Arbeid altijd heeft geprobeerd een brug te slaan tussen wat traditioneel de arbeidersklasse heette en diegenen die daar niet toe behoren, maar die wel het gevoel hebben: we moeten samen optrekken; het sociaal voelend intellectuele deel van de samenleving.

„Ik herinner me nog wel dat Femke Halsema in haar nadagen zei: de Partij van de Arbeid moet nou wel eens een keertje kiezen. Mijn antwoord daarop is altijd geweest: geen sprake van, wij gaan helemaal niet kiezen. Het zijn juist partijen als GroenLinks en D66 die naar mijn gevoel veel te veel alleen maar rekening houden met het gegoede deel van onze samenleving. Dat is een heel sociaal voelend deel, daar gaat het helemaal niet om, maar dan kun je gemakkelijker roepen: we gaan de arbeidsmarkt een beetje aanpassen en we gaan vergroenen. Waar ik het op zichzelf mee eens ben, maar houd alsjeblieft rekening met diegene die dat straks allemaal gaat betalen.

„Als je er middenin zit dan zie je de verschillen tussen cultuur en opvattingen van de partijen; van de SP, van de Partij van de Arbeid, van GroenLinks, van de Partij voor de Dieren; die zie je allemaal haarscherp. Sta je er wat verder vanaf, dan denk je, jongens wat moeten we in vredesnaam met al die partijen?

„De SP is natuurlijk een heel hiërarchisch geleide partij en daar is de Partij van de Arbeid zo ongeveer het tegenovergestelde van. D66 is ook weer een totaal andere partij, dat zijn hartelijke mensen uit de gegoede burgerij. En bij GroenLinks zit zowel de oude groep, sterk gericht op het milieu, niet altijd even stevig met beide voeten op de grond, als de libertairen die er op een gegeven moment ook in terecht zijn gekomen.

„Nu ik op wat meer afstand sta, denk ik: waarom kan dat niet gewoon in één club? Niet nu, maar in de komende jaren zou je met een grote progressieve volkspartij zoveel sterker staan; dan zou je veel meer kunnen bereiken. Tegelijkertijd realiseer ik me – en dat heb ik ook ondervonden – hoe verschrikkelijk moeilijk dat is. Maar het zou een zegen zijn voor het land. Als je nou toch weer kijkt: we krijgen er nog eens drie partijen bij! De Partij voor de Ouderen, dat ding van hoe-heet-ie, Brinkman, en dan krijgen we ook nog de Piraten, met één zetel.”

Het is nog niet helemaal zeker dat ze een zetel krijgen.

„Nou, laat ik ook eens een voorspelling doen. Natuurlijk, die partijen aan de linkerkant zijn allemaal op hun eigen manier verschillend, met een eigen geschiedenis die reuze belangrijk is – ik zal de laatste zijn om dat te ontkennen. Dat is ook een van de redenen dat ik me in mijn partij zo thuis voel: je kent de mensen, je weet waar ze voor staan, waar ze voor gestreden hebben, hoe ze bezig zijn. En dat gebeurt in al die andere partijen natuurlijk ook. Maar het zou mooi zijn als die bestaande structuren konden worden doorbroken.”

Denkt u dat het samengaan in totaal ook meer zetels oplevert?

„Dat weet ik nog niet eens zozeer, maar het is een steviger machtsblok in de coalitievorming, die je in Nederland altijd nodig hebt. Het betekent intern veel meer gedoe, maar ja: het is natuurlijk een heel verschil of je daar staat te praten als je het hebt over vijftig of zestig zetels, of dat je vijf partijtjes hebt.”

Maar stel dat CDA, VVD, Partij van de Arbeid, D66 en GroenLinks of de ChristenUnie nodig zijn om aan een meerderheid te komen, dan vieren de twee grote vleugelspelers feest.

„Ja, daarom ontkom je er niet aan een van de vleugelspelers erbij te betrekken, en dus de SP. Een coalitie links van het midden dus. Daar is ook kans op, als de PVV groot blijft, terwijl het geen serieuze rol meer kan spelen bij het vormen van een coalitie. Maar ja, de PVV lijkt nu echt te imploderen, al weet je het nooit. Een grote PVV leidt eerder tot een links-van-het-middenkabinet. Dat is een cynische constatering terwijl moreel gezien verzwakking van de PVV goed nieuws voor Nederland is.

„Er is een groot verschil tussen de SP en Wilders. Want laten we even wel wezen, het is niet voor niets dat VVD en CDA in 2010 hebben gezegd: we doen alleen maar een gedoogconstructie. We willen niet dat die jongens in de regering komen. Wilders vond dat best. Voor hem was dat eigenlijk het beste van twee werelden. Hij heeft het op een ongelofelijke manier uitgebuit, want hij heeft net gedaan alsof hij in de regering zat. Op allerlei terreinen waar hij geen bal over te vertellen had, heeft hij toch invloed gehad. Benoemingen en dat soort dingen. Als ik het goed begrepen heb, heeft hij een veto uitgesproken over Atzo Nicolaï als minister van Buitenlandse Zaken. En Mark Rutte heeft dat allemaal laten gebeuren. Maar dat is niet wat de SP wil. De SP wil gewoon mee regeren. Dat vind ik trouwens al een hele tijd: de SP moet gewoon met de billen bloot.”

Terwijl u worstelde en uiteindelijk niet bovenkwam, leidde Mark Rutte een kabinet waar rechts de vingers bij kon aflikken. Vergrootte dat niet uw gevoel van machteloosheid?

„Het was beroerd om te zien hoe Rutte meeging met de PVV, Wilders ruimte gaf, ook buiten het gedoogakkoord. Wilders kon zijn gang gaan, hij had macht zonder verantwoordelijkheid te dragen. Intussen werd schade aangericht aan de sociale samenhang, de natuur, de cultuur, de omgang met ‘de onderkant van de samenleving’. Allemaal zoals je het niet moet doen. Je komt er de eerste anderhalf jaar van zo’n kabinet niet tussen. Dit kabinet heeft veel kapotgemaakt. En een gebroken ei kun je niet meer heel maken.”

Als vijf of zes partijen ook moeizaam gaat, zou de variant dieTjeenk Willink voorstelde – een kabinet met minder binding met de Kamer, dat wisselende meerderheden per onderwerp zoekt – uitkomst kunnen bieden?

„Ik vond dat twee jaar geleden, in the end wel een optie. Ik weet niet of dat nog zo is. In de afgelopen paar jaar zijn de ervaren staatslieden zo beschadigd. En het idee dat ervaren mensen daarin een goede rol zouden kunnen spelen is zo aan erosie onderhevig dat ik dat niet langer weet. Kijk naar de manier waarop in het CDA mensen als Cees Veerman en Ernst Hirsch Ballin – en natuurlijk, ze hadden opvattingen die op dat moment niet in hun partij pasten – zijn weggezet. Ik weet niet zo goed wie het moeten gaan doen, en of die ook in dit klimaat overeind zouden blijven.”

Thuis

Hoe ging dat tijdens uw lotgevallen in de Kamer thuis, met uw vrouw die de ziekte MS heeft? Het leek me een onmogelijke combinatie.

„Het kon, mede dankzij het persoonsgebonden budget en het feit dat ik een prachtig salaris verdien, waardoor het mogelijk was om heel veel professionele zorg te hebben. Echt van ’s morgens tot ’s avonds. En verder, je bent de dinsdag, de woensdag en de donderdag flink onderweg, ben je bezig. Maandag was ik veel in Amsterdam en vrijdag was ik wel op pad, maar was ik wel altijd weer ’s avonds thuis en in het weekend was ik ook nog wel weer bezig, maar ook thuis.”

Leidt die situatie niet voortdurend af?

„Nee. Er zijn zo van die momenten dat je je opeens realiseert hoe anders het had kunnen zijn. Ik weet ook nog heel goed, we waren een keer in het Revalidatiecentrum Amsterdam – dat is zo’n fantastische tent, hè? – en onze arts daar zei: ga eens praten met een maatschappelijk werkster. Zij deed veel met patiënten die hersenbloedingen hadden gehad. Daar zat heel veel herkenbaars in en zij kon daar goed over vertellen. Dat geeft je veel inzicht en dat is op zichzelf prettig. Op een gegeven ogenblik liet zij het woord ‘rouw’ vallen. En ik dacht rouw, hoezo rouw? Wat heeft dat er nou mee te maken? Maar dat is natuurlijk wel precies waar het om gaat. En je dat te realiseren, dat je al zoveel bent kwijtgeraakt. Op de een of andere manier heeft mij dat enorm geholpen om daar weer mee verder te kunnen. Die rouwverwerking, die heeft allang plaats.

„Ik weet ook nog dat Paul Rosenmöller mij interviewde. Toen zat ik daar te vertellen hoe anders het burgemeesterschap had kunnen lopen als Lidie gezond was geweest. Dan zit je dus ook opeens te bedenken: verdomme, het had zo anders kunnen zijn en ik had zo ontzettend veel meer nog kunnen doen, en zij had zoveel kunnen betekenen voor die stad en er zelf zoveel plezier in kunnen hebben. Dat soort momenten, dan besef je wat je niet hebt.”

Bedacht u dat ook in die weken dat het begon vast te lopen?

„Jawel, maar ik heb ook nog wel een paar andere mensen om me heen met wie ik heel goed kan praten, een paar fantastische mensen. Jacques Wallage is een van hen, met hem heb ik de hele tijd heel veel contact gehad. Die is ook echt totaal belangeloos, veel meer in de zin van ‘Verdomme, ik hoop dat het lukt’, omdat we dezelfde dingen belangrijk vinden.”