Klik-klak. En weg is Eddy Merckx

Columnist Wilfried de Jong vond een album uit 1975. De toen 17-jarige, met haren als gordijnen, zag zijn helden langs flitsen op de Tourmalet.

Het fototoestel was van het eenvoudige soort. Het was niet meer dan een zwart doosje met een ingebouwde lens. Instamatic stond erop, dat weet ik nog. Een woord dat niemand bij ons thuis begreep. Het deed vermoeden dat het apparaat alles zelf deed. Eigenlijk hoefde je alleen maar op een knop te drukken.

Klik-klak.

Ik hield van foto’s nemen op vakantie. De grote wereld in een klein vierkant kader. Het was zaak om zuinig te werk te gaan. Er zaten maar 24 foto’s op een rolletje. Eén opname ging al verloren aan het vroege vertrek uit onze straat in Rotterdam. De motor van de groene BMW 2000 draaide warm. Vader en moeder voorin, drie zoons achterin. Mijn zus ging al zelf op pad in de zomer van 1975.

Ramen opendraaien, zwaaien naar de lens en gas geven.

Op naar Frankrijk.

We wisten dat de elfde etappe van de Tour de France in de buurt van onze camping in de Pyreneeën zou passeren. De Tourmalet leek de ideale plek. 2.113 meter hoog. Een berg van de buitencategorie. Op dinsdag 11 juli 1975 stonden we op de top.

Ik was bijna alles vergeten van de uren op de Tourmalet. Terugkijken is niet mijn grootste hobby. Met het overlijden van mijn ouders belandden stapels fotoboeken uit het ouderlijk huis bij mijn zus. Na lang zoeken kwam de serie tevoorschijn. Geplakt in een groen boek, met een gescheurde rug. Geen tekst, alleen een paar afdrukken, van 37 jaar geleden.

De oude foto’s hielpen mijn geheugen op gang.

We moesten een paar uur voor de start van de etappe vertrokken zijn vanaf de camping in Bagnères-de-Bigorre. We reden de steile Tourmalet op. Ik meen me te herinneren dat onze auto het laatste stuk niet trok en langs de kant moest met een kokende motor.

We liepen naar de top en vonden een plekje. Ik hing het fototoestel om mijn nek.

De grote fotodag stond op het punt te beginnen.

Als 17-jarige jongen, met haren als gordijnen en een corduroybroek met wijde pijpen, richt ik de camera op mijn ouders en mijn twee broers. Ze zitten op campingstoelen. Mijn vader en moeder hebben armleuningen.

Het is fris. Mijn vader kon als diepvriesgroothandelaar goed tegen kou, maar nu heeft hij een trui over zijn vest geslagen. Ik zie een stukje scheenbeen, als altijd spierwit. Mijn moeder heeft haar handen tussen haar dijen. Mijn broers hebben kleppetjes op. Zou de reclamekaravaan al gepasseerd zijn?

Ik sta aan de overkant van de weg. Door het ovale glaasje bovenop het toestel kan ik zien hoeveel foto’s ik nog kan nemen.

Boven de bergen met eeuwige sneeuw klinkt het geluid van de helikopter. In de verte kruipt de karavaan omhoog. Renners als stipjes, gevolgd voor een colonne van speelgoedauto’s. Hoe krijg ik met mijn klik-klaktoestel een voorbijsnellende wielrenner goed in beeld? Alles rechts in het kader zetten, dan heb je de meeste kans ze in beeld te vangen.

Auto’s, motoren, getoeter, geschreeuw.

Daar zijn ze.

Een voor een klimmen de renners voor de lens langs. Geen helmen en zonnebrillen. Ze hebben nog haar en ogen. Ze komen snel achter elkaar. Wie zet ik op de foto? Ik herken de gele trui. Eddy Merckx. Zijn handen op het stuur. Handschoenen met luchtgaatjes. Oranje frame. Dunne buizen. Petje achterstevoren. Zwarte bakkebaarden. Vechtlust op het gezicht.

Klik-klak.

Als de foto gelukt is, heb ik Merckx op de foto gezet. Had ik een klappende hand in beeld?

Weg is Eddy. Snel het rolletje transporteren door met mijn duim een wieltje met kartels rond te draaien. Er schieten renners voorbij. Ik herken ze lang niet allemaal. Niet fotograferen.

Daar. Luis Ocaña. In een shirt van Super SER. Intense rode kleur, net als zijn fiets. De Spanjaard met zijn furieuze rijstijl. Hij staat op de pedalen. Aan de overkant kijken de mensen alweer uit naar een andere renner. Stom. Hier moet je kijken. Naar Ocaña. Tourwinnaar van 1973.

Dezelfde klappende hand in beeld.

Een Frisol-trui. Nederlandse ploeg. Wie is dit? Dat moet een Nederlander zijn. Klikken. Thuis maar opzoeken wie het is.

Een bril. Gerrie Knetemann. Op achterstand. In een medisch decor. Aspro en hoofdpijn is van alle tijden. Knetemann heeft een krant aangepakt. In de afdaling naar de voet van de Aspin zal hij die onder zijn shirt stoppen. Tegen de koude wind. De inkt geeft af, weet ik als krantenbezorger. De letters blijven in spiegelbeeld op zijn bezwete huid staan.

Alle renners zijn voorbij. Na een rij volgauto’s wordt het stiller op de berg. Ik loop naar de overkant, naar mijn ouders en broers. Wie hebben zij gezien? Ik heb Merckx. Ik weet het zeker. Ik zag geel. Als de foto maar gelukt is.

Bijna vier decennia later heb ik ze weer in handen, de vierkante foto’s uit 1975. Een foto zet de tijd stil, maar start een verweerde film in je hoofd. Ze leven. Ze bewegen. Ik zie een onbezorgde vakantie. Mijn lieve ouders. Jeugd op de hoofden van mijn broers. Gezinsleven oude stijl.

Nog eens turen. Merckx, Knetemann. En Ocaña, die zich in 1994 met een pistoolschot door het hoofd van het leven beroofde. Is die Frisol-jongen Henk Prinsen? Een witte trui, even denken, dat moet een jonge Francesco Moser zijn. En rijdt Francisco Galdos in dat blauw-gele shirt van KAS? Het zijn de kleuren uit het verleden.

Tegenwoordig worden foto’s gemaakt met een telefoon. Je kunt gebruik maken van digitale filters als Hipstamatic en Instagram; de foto’s lijken dan ouder dan ze zijn. Verlangen naar vroeger. Waarom is dat? Dromen we liever weg bij Merckx op staal dan Wiggins op carbon?

Ik weet nog hoe ik een week na de vakantie de afdrukken uit de enveloppe trok in de fotozaak. Ik had de vastgelegde beelden dagen in mijn hoofd gefantaseerd, nu lagen de wielerhelden op de toonbank. Ze waren gelukt. Het wielerbestaan teruggebracht tot een stilstaand beeld op een vierkant stukje fotopapier.

Trots keek ik naar Merckx. Op de top van de Tourmalet. Hij was me op een paar meter gepasseerd. Thuis kreeg Merckx een mooi plekje. De latere verliezer van 1975 – hij zou uit het geel gereden worden door de Fransman Bernard Thévenet – zit al meer dan 37 jaar met Velpon gelijmd in het groene fotoboek.

Ik sla het nu weer dicht.