Jamaica heeft Usain Bolt én Shelly-Ann Fraser

De prestaties van de kleine Shelly-Ann Fraser zijn net zo groot als die van landgenoot Usain Bolt. Met een tweede olympische zege zal ze uit zijn schaduw stappen.

Een reisadvies voor Jamaica: mijd Waterhouse. Je bent er je leven niet veilig. Van de vele getto’s in en rond de hoofdstad Kingston is Waterhouse waarschijnlijk de gewelddadigste. Een criminele jungle waar de dood voortdurend op de loer ligt. Soms komt er iets goeds uit Waterhouse. Zoals Shelly-Ann Fraser-Pryce.

Shelly-Ann wie? Haar naam wordt lang niet altijd herkend. Vier jaar nadat de kleine Jamaicaanse in Peking olympisch kampioen op de 100 meter is geworden, mist zij de statuur van de mannelijke sprintkampioen Usain Bolt. Terwijl ook zij een jaar na de Spelen, net als haar landgenoot, in Berlijn wereldkampioen werd. Waar Bolt letterlijk (1,95 meter) en figuurlijk groot is, blijft Fraser letterlijk (1,60 meter) en figuurlijk klein. De 25-jarige Jamaicaanse sprintster berust erin en zegt na een training in Kingston met een vette knipoog: „Een mannenwereld, hè.”

Eén blik op de atletiekbaan en je weet wie Fraser is. Ze is een kop kleiner dan de tientallen sprinters die op een vroege en warme maandagochtend in mei, in de schaduw van het Nationale Stadion, hun training bij de MVP Track Club afwerken. Zodra de zon vanachter de nabijgelegen bergketen opkomt, is Fraser te herkennen aan een parasol. Als enige. Na haar zoveelste sprint over honderd meter kan ze dan even de schaduw opzoeken. Anderen proberen haar dollend de parasol afhandig te maken. Dan moet je net bij Fraser zijn. De vechtjas.

Tja, grootgebracht in Waterhouse. Dan heb je voor jezelf leren opkomen. Dat was vier jaar geleden ook zo. In de aanloop naar Peking ontstond op Jamaica een kamerbrede discussie over haar uitzending. Fraser had bij de trials weliswaar sprintdiva Veronica Campbell-Brown verslagen, maar weinigen vonden dat ze wat in Peking te zoeken had. Wie was Fraser dan wel? Zij moest haar plaats maar afstaan aan de zekere medaillewinnares Campbell-Brown, was de heersende opvatting.

Fraser bleef stoïcijns onder alle schimpscheuten en sprak tijdens de Olympische Spelen met haar benen. Ze won goud op de 100 meter, als eerste Jamaicaanse in de geschiedenis.

Het leven in Waterhouse stond tijdens haar race stil. Er werd even niet gevochten en niet gedood. Iedereen keek televisie. Hoe verdeeld ook, de bewoners waren trots. Die kleine Shelly-Ann was een van hun. In Peking had ook Waterhouse gewonnen. Bij terugkeer werd Fraser als een held onthaald en trof ze een tekening van zichzelf aan op een van de muren in Waterhouse. Lachend: „Die eer is eigenlijk alleen weggelegd voor dode helden.”

Fraser woont al lang niet meer in Waterhouse, maar met haar man Jason Pryce in Kingston uptown, als een lid van de gegoede burgerij. „Maar ik kom nog regelmatig in Waterhouse en dat voelt als thuiskomen”, zegt Fraser, die het plan heeft opgevat een stichting op te richten om de kansarme kinderen van Waterhouse te helpen. Met speciale aandacht voor tienermoeders. Zij is zelf dochter van een tienermoeder, maar was vastbesloten dat zo’n vroeg moederschap haar niet zou overkomen. Fraser: „Met dank aan mijn moeder Maxine, die me altijd heeft gestimuleerd te studeren. Ik ben haar daar eeuwig dankbaar voor. Ze zei ook altijd dat ik me niets van die bendes in Waterhouse moest aantrekken en jongens die me wilden inlijven, moest negeren. Dat heeft me gered.”

Fraser ontsnapte aan het rauwe leven van Waterhouse. Dankzij haar studie aan eerst Wolmer’s High School en vervolgens Utech, de technische universiteit in Kingston. Maar vooral dankzij haar talent als sprintster. Fraser heeft een ijzeren wil. Die eigenschap moet haar in Londen opnieuw op het podium brengen. Tenminste, dat hoopt Fraser, die na haar wereldtitel in 2009 niet echt meer heeft uitgeblonken. „Maar daar maak ik me geen zorgen over”, zei ze drie maanden voor de Spelen. „Ik werk hard en geloof dat God me zal bijstaan. Hij was er in Peking toen ik hem nodig had. En hij zal er ook zijn in Londen. Daar heb ik het volste vertrouwen in.”

Zou haar dopingstraf de verklaring voor haar wat mindere periode zijn? Fraser ziet geen causaal verband. Maar dat de schorsing van zes maanden haar pijn heeft gedaan, ontkent ze evenmin. Ze werd in 2010 bij een test na de Golden-Leaguewedstrijd in Shanghai positief bevonden op oxycodone, een middel dat overigens niet prestatieverhogend werkt. Fraser zei zich van geen kwaad bewust te zijn en schreef de positieve uitslag toe aan een pijnstiller die ze had ingenomen na een tandheelkundige behandeling.

Fraser zegt het vooral mentaal zwaar te hebben gehad. „Het idee dat ik als bedrieger werd gezien, vond ik heel erg. Mijn trainer, Stephen Francis, zei steeds: ‘Trek je niets aan van al dat negativisme’. Daaraan probeer ik nu ook te denken. Ik voel me goed, ben fit en werk hard. Wat kan ik meer doen?”

En weg loopt ze. Met haar spikes onder de arm, naar een plekje in de schaduw van de tribune. Daar zijn al haar trainingsmaatjes, onder wie Bolt-uitdager Asafa Powell, al aan de gezamenlijke cooling down begonnen.