Hollands Costaverdriet

Met een caravan vol patatten overwinterden pensionado’s in de jaren tachtig aan de Costa Blanca. Nu kalft de Nederlandse gemeenschap aan de Spaanse kust af. De zorgen nemen toe en de zaken liggen stil.

Jarenlang had Fred Mahler een fijne baan bij een appartementencomplex voor senioren aan de Costa Blanca. „Ik had een contract, maar geen duidelijke functieomschrijving. Ik werkte als manusje-van-alles, heel Spaans. En met duizend euro per maand verdiende ik een goed salaris”, zegt de veertiger. Maar toen zijn werkgever vanwege de crisis moest gaan snijden, kwam ook Mahler op straat te staan.

Net als veel van de andere 5,6 miljoen werklozen in Spanje moet Mahler het nu hebben van chapuzas. Korte, eenvoudige klusjes – niet zelden zwart betaald. Dankzij die invalbeurten hoeft Mahler niet terug naar Rotterdam. Wel moet hij rondkomen van een paar honderd euro minder in de maand. „Ik zit gemiddeld op zevenhonderd euro. Zoals veel Spanjaarden nu. Een vaste baan vind je gewoon niet meer.”

Mahler staat vandaag achter de bar bij de Hollandse Club van l’Alfaz del Pi, een nieuwbouwdorp vlakbij Benidorm. Een kleine honderd, bijna allemaal pensioengerechtigde Nederlanders bezoeken deze zaterdag de jaarlijkse rommelmarkt. Bij de eethoek vinden de broodjes kroket, de frikadellen-speciaal en de hamkaastosti’s gretig aftrek. Aan de bar kosten biertjes en fris 1,20 euro. Een dj draait Hollandse zomerhits en smartlappen.

Een Amsterdamse in tijgerprint probeert vandaag een deel van haar overtollige huisraad te slijten. „We doen dit niet voor het geld, hè”, zegt ze. „Het ruimt gewoon lekker op. En op de club is het altijd gezellig.” De circa tweehonderd leden kunnen sjoelen, darten en klaverjassen. ’s Zaterdags wordt er gewandeld en elke maand is er een bingoavond.

Voor de meeste gepensioneerden is het nog altijd uitstekend uit te houden aan de Costa Blanca. Aan dit deel van de Spaanse Middellandse Zeekust wonen ruim honderdduizend Nederlanders, sommigen het hele jaar door, anderen alleen in de winter. Niemand weet precies hoeveel het er zijn, maar het is in ieder geval de grootste gemeenschap Nederlanders buiten eigen land.

Zorgenkind

Wie dat wil, kan zich hier in een miniatuurversie van Holland onderdompelen. Er is Nederlandse horeca: van polonaisecafés en bruine kroegen tot hippere eetcafés en het beste Indonesische restaurant van Spanje. Er zijn Nederlandse supermarkten die slavinken, speculaas en saucijzenbroodjes verkopen. Er is een leeshoek met de laatste lectuur: De Telegraaf van gisteren en de Privé van deze week, maar ook vertaalde Spaanse literatuur. Er zijn Nederlandse medici, manicures en makelaars.

Maar hoe Nederlands ook, de Nederlandse Costa ligt wel degelijk in Spanje. Een land dat door zijn grote vastgoedproblemen en enorme werkloosheid in Europa geldt als een zorgenkind. Waar de regering deze week een nieuwe ronde bezuinigingen aankondigde, die er mede voor zal zorgen dat het land zeker tot volgend jaar in recessie blijft verkeren. En hoewel de meeste Nederlanders leven van een relatief bestendig pensioen, gaat ook aan hen de crisis niet onopgemerkt voorbij. Zeker niet aan de duizenden jongere Nederlanders die de afgelopen jaren neerstreken aan de Costa Blanca, met ondernemingen gericht op hun vele landgenoten en andere Europese overwinteraars.

Yolanda Wijmans, tongpiercing en zilverwit geblondeerde stekeltjes boven een zongebruind gezicht, is één van hen. Zij en haar gezin drijven al jaren restaurant Siroco en een Nederlandse supermarkt in hartje Benidorm. In Siroco is de omzet sinds afgelopen winter met 30 procent gedaald vergeleken met vorig jaar, vertelt Wijmans. „Voor het eerst heeft echt iedereen het moeilijk. De overwinteraars hielden de hand op de knip. Ik zie collega’s bij bosjes omvallen. Iedereen probeert zijn huur omlaag te praten.”

In het restaurant heeft Wijmans de prijzen verlaagd en de porties verkleind. „We draaien massa en hebben Spaanse salarissen, daardoor redden we het nog.” De supermarkt loopt nog goed: „Mensen eten vaker thuis. En ze willen nog wel steeds hun Nederlandse dingetjes, hè.”

In antwoord op de crisis opende ze onlangs loungeclub ‘Poco Más’ in het iets verderop gelegen Albir. Hier woont een grote Scandinavische gemeenschap, vooral Noren. „In tegenstelling tot de Engelsen en Nederlanders hebben die nog wel geld.”

Op de goedbezochte feestelijke opening van Poco Más – het eerste uur is de drank gratis – komen vooral Nederlanders af. Op het terras aan het verwarmde zwembad van de loungeclub bespreken twee bejaarde stellen waar ze zullen gaan eten. Het wordt de Chinees. „Je krijgt daar een driegangenmenuutje voor 5,50 euro”, zegt een vrouw. „Een loempiaatje, een bord bami, ijs toe en een cidertje erbij.” Haar man: „Voor 11 euro ben je met z’n tweeën klaar.”

Chinese concurrentie

Over de Chinese concurrentie klagen alle Nederlandse ondernemers. Die stunten met menuutjes van een paar euro en runnen alles-voor-1-eurowinkels of buurtsupers die van vroeg tot laat open zijn, zonder siësta. „Daar kun je niet mee concurreren, al geef je het gratis weg. Ze werken dag en nacht”, zegt Cees Kaptein. Hij bestiert aan de boulevard van badplaats Altea de bar La Buena Vida (Het Goede Leven).

Kaptein en zijn vriendin wonen nu vier jaar in Spanje. Eerst op de Canarische Eilanden, daar zaten ze in de horeca in loondienst. Aan de Costa Blanca zetten ze een handel in gps-inbouwapparatuur voor auto’s op. Maar die handel komt nog niet van de grond. „Ik liep al acht maanden niets te doen. En omdat we toch de hele dag op het terras zaten, dachten we: dan kunnen we net zo goed zelf een bar beginnen.”

Deze middag zitten ze samen met wat Nederlandse gasten te drinken op hun terras. Hun tafeltje is als enige bezet. De rondjes wijn en rum-cola komen in hoog tempo op tafel. In het midden een bord borrelhapjes: plakken lever- en Vockingworst en blokjes kaas. „Of je nu in loondienst bent of eigen baas: horeca betekent altijd lange dagen”, zegt Kaptein. „Maar heb je vrije tijd, dan zit je hier in de zon. Dat verhoogt de kwaliteit van leven.”

Een ander voordeel van Spanje, vindt hij, is „dat de belastingdienst je minder op je nek zit en de hygiëneregels niet zo ver zijn doorgeschoten als in Nederland. Ze laten je hier nog ondernemen.”

Kaptein en zijn vriendin hebben beiden horeca-ervaring. Maar ze zien ook genoeg landgenoten zonder enig idee beginnen in deze branche. „Automonteurs of taxichauffeurs. Ze denken: hé, dat kan ik ook. Eerst zie je ze eindeloos verbouwen. En als ze eindelijk open zijn, zijn ze binnen een paar weken alweer dicht.” Een tafelgenoot vult aan: „Mensen zijn hier op vakantie en zien alleen de zon en de zee. Ze laten zich verblinden. Ze komen hier en willen meteen een cabrio en een villa met zwembad. Nou, die komen bedrogen uit.”

Thermostaat op 11

Henk Koenders is sinds een kwart eeuw huisarts in Benidorm en omstreken. „Toen ik hier kwam in 1987 hadden Nederlanders op de camping het precies uitgerekend”, vertelt hij in de tuin van zijn huis. „Ze konden hier met hun AOW maandelijks van 50 tot 100 gulden minder rondkomen dan in eigen land. Ze zetten thuis de thermostaat op 11 graden opdat de leidingen niet bevroren en ze reden hiernaartoe met de caravan vol patatten.”

Eind jaren negentig braken nieuwe tijden aan: de Costa Blanca werd een goudkust. De bouwwoede deed de huizenprijzen exploderen. Dankzij de euro spoot het geld de banken uit. Nederlanders, Duitsers en Spanjaarden kochten massaal een tweede huisje aan de kust, net als Britten, die dankzij hun sterke pond rijk als koningen waren. Koenders: „Spanje werd veel duurder. Hier kon je vroeger voor 400 peseta’s (circa 2 euro) eten. Zelfs die Chinezen kunnen daar nu niet tegenop.”

Vier, vijf jaar geleden stortte de huizenmarkt in. Op de kredietcrisis volgde de eurocrisis. Met name de Britten keerden massaal terug naar hun land. Maar iedereen aan de Costa merkt dat ook de Nederlandse gemeenschap is uitgedund. Vooral onder de generatie niet-gepensioneerden, 10 tot 15 procent van de gemeenschap, heeft een schifting plaatsgevonden. „In de jaren tachtig, negentig had je hier de pioniers. Voor hen was het makkelijk ondernemen”, zegt Bart Gommans. Hij woont en werkt al decennia in Spanje en is nu wethouder voor buitenlandse residenten in La Nucía, even buiten Benidorm.

Net toen de markt voor buitenlandse ondernemers verzadigd raakte, brak de boom in de bouwsector uit, zegt Gommans. „Tot 2006, 2007 heerste de goudkoorts. Iedereen werd makelaar, want dat is hier geen beschermd beroep. Nou, dat is nu redelijk opgeruimd. Je moet met beide benen op de grond staan en een goed plan hebben, wil je overleven.”

In de praktijk van huisarts Koenders meldden zich tot dit jaar elk jaar ongeveer tien mensen met een zogenaamd geniaal idee. ‘Dokter, ik begin een dropjeswinkel op de boulevard, dat moet wel lopen, toch?’ Inmiddels heeft Koenders veel middenstanders zien vertrekken. „Velen hadden marginale zaakjes, geen goed bedrijfsplan of deden iets dat sterk gelieerd was aan de bouw, die nu bijna helemaal platligt.”

De afgelopen jaren ziet de huisarts steeds meer patiënten met stress-symptomen. Mensen die overwerkt zijn, financiële zorgen hebben, huwelijksproblemen. Die weg willen maar hun huis niet verkocht krijgen. Ook bij de gepensioneerden ziet hij een omslag. Zij maken zich zorgen over de economie, de Spaanse én de Nederlandse. „Veel Nederlanders hier hebben altijd met één been thuis en één been in Spanje in gestaan. Nu leunen ze meer op dat Nederlandse been.” Een ‘regressiefenomeen’, zegt hij. „Als je ziek bent of in paniek raakt, wil je naar huis, naar wat vertrouwd is.”

Toch vertrekt lang niet iedereen. Sommigen blijven, al moeten ze genoegen nemen met een lagere levensstandaard. Goran Petrovic bijvoorbeeld had een technische groothandel in Nederland. „Die liep op een gegeven moment zo goed dat ik in het 52-procentsbelastingtarief terechtkwam. Daar had ik geen zin in en acht jaar geleden ben ik naar Spanje vertrokken. Hard werken moet overal, maar hier betaal je minder belasting en je zit tenminste in de zon.”

Hij zette tijdens de bouwbonanza een handel in zonnepanelen op en had vooral Britten onder zijn klanten. Toen de huizencrisis uitbrak en de overheid fors ging bezuinigingen op subsidies voor groene energie, ging het snel bergafwaarts met de zaken. Begin 2010 moest hij stoppen. Hij solliciteerde bij Spaanse bedrijven, maar daar moest hij eerst fors betalen voor een interne opleiding voordat hij kans maakte op een baan. Sinds twee maanden werkt hij bij een callcenter van het Haagse bedrijf ProSpex, dat vanaf de Spaanse kust de Nederlandse markt bedient. Enkele klanten zijn Microsoft, Canon en KPN. Petrovic belt deze ochtend namens T-Mobile bedrijven af met de vraag of ze hun abonnement willen overzetten. „Prima werk”, zegt Petrovic. Zijn vrouw heeft nog een nagelstudio en een webwinkel. „Ons zie je niet teruggaan.”

Vestigingsmanager Manfred Broy van ProSpex legt uit dat zeker de helft van zijn werknemers zelf ondernemer is geweest. „Het zijn mensen die hier op vakantie kwamen en dachten poe-poe, da’s lekker. Die kregen een droom en hadden een zak geld. Maar negen van de tien keer liep het niet.”

De circa zestig telemarketeers in Spanje verdienen per uur 8 à 10 euro, hun collega’s in Nederland een paar euro meer. Toch waren de lagere lonen niet de belangrijkste reden om in Spanje een callcenter te openen, zegt Broy. „Het grootste voordeel is dat personeel hier meer toegewijd is. In Nederland zijn de uitkeringen rianter. Dan krijg je dus meer verloop. Hier is het toch iets meer moeten.”

In hetzelfde bedrijfspand zitten op de begane grond meer Nederlanders. Sologic Media is een tweeënhalf jaar oud bedrijf dat websites bouwt en onderhoudt voor klanten over de hele wereld. Er werken zeven mensen in vaste dienst, vooral Nederlanders. Mede-eigenaar Dennis Cober prijst zich gelukkig op de Spaanse arbeidsmarkt. „Je vindt hier nog gemotiveerd personeel tegen een mooie prijs. Het enige werk hier aan de costa is in de horeca. Dan verdien je 5 tot 6 euro, meestal zwart, en alleen als je geluk hebt mag je zelf de fooi houden. Verder is er gewoon niet veel.”