Geen massagraven gezien. Niks

Gerard Alders diende in hetzelfde regiment als de eigenaar van de gruwelijke foto’s uit Indië die deze week werden gepubliceerd. „Ik begrijp echt niet hoe die daar terecht zijn gekomen.”

De handen van Gerard Alders beginnen te trillen als hij de foto’s bestudeert. Tien dode Indonesiërs in een greppel, een paar toekijkende Nederlandse militairen. „Dit is vreselijk. Onvoorstelbaar. Ik heb dit nooit eerder gezien”, zegt hij. „Ik zeg niet dat het niet gebeurd is, want het staat op de foto’s. Het staat vast. Die uniformen, die zijn van ons, van de landmacht. Die pet droegen we in de tropen. Maar het was niet bij ons. Ik weet het zeker. 95 procent zeker.”

Alders (86) zou het kunnen weten. Hij diende van 1947 tot 1949 in Indonesië samen met de vermoedelijke fotograaf. Ze maakten allebei deel uit van het veldartillerieregiment 3-12 RVA.

Deze week doken twee foto’s op van de mogelijke executie van een groep jonge mannen tijdens de oorlog in de voormalige kolonie. De afbeeldingen waren ingeplakt in een album van Jacobus Ridderhof. Het plakboek belandde na zijn dood bij het stadsarchief in Enschede. Zijn hele periode in Indonesië is erin vastgelegd. Van de oversteek met het troepenschip MS Johan van Oldenbarnevelt tot de terugkeer met zijn plunjezak. Argeloos staan de afbeeldingen van de greppel en de lijken tussen die van soldaten aan een tafel en met ontbloot bovenlijf poserend in de zon.

„Ik begrijp echt niet hoe die foto’s daar terecht zijn gekomen”, zegt Alders. Toen de schokkende beelden deze week in de krant stonden, heeft hij vijf van zijn oude maten gebeld. „Ook die staan versteld. Het is niet gebeurd, zeggen ze. Ze willen er niet meer over praten. Indië is een gesloten boek.”

Een klein mannetje

Zelf heeft Gerard Alders nauwelijks foto’s bewaard. Een enkele van zichzelf, in de Chevrolet-jeep die hij bestuurde tijdens de tochten over Java. „De rest heb ik weg gedonderd. Er zat niks bijzonders bij en mijn kinderen interesseren zich er toch niet voor.” Wat hij wel bewaarde is de lijst met namen van de ongeveer 380 man uit zijn regiment. Daar staat ook zijn postuum beroemde collega op.

„Ik kende hem overigens niet goed. Het was een klein mannetje, vrij stevig. Hij was kapper en verdiende wat extra’s met het knippen van de manschappen, weet ik nog. Ik ben vrij zeker dat ik nooit met hem op patrouille ben geweest.”

Maar als er op de patrouille van Ridderhof iets gruwelijks was gebeurd, dan zou hij het gehoord moeten hebben. „Onze kapitein weet ook van niks. Over zoiets was toch gepraat op het kamp? Wij hebben in al die jaren nooit massagraven gezien. Geen executies, niks. Ja, wel Nederlanders die ze aan een boom hadden gehangen, met hun edele delen in hun mond.”

Het was niet de taak van de artillerie om de ‘rampokkers’ aan te pakken. „Wij hebben misschien twee keer mensen gevangen genomen van wie we dachten dat ze meer wisten over beschietingen, maar die hebben we ook weer laten gaan. Als er iets anders met ze gebeurd is, heb ik het niet geweten.”

Vergeldingen kan Alders zich ook niet herinneren. „Toen één van ons sneuvelde, ging zijn beste vriend door het lint. Hij riep: ik maak ze godverdomme allemaal af. Maar hij is met praten weer tot bedaren gebracht.”

„Die excessen, ik ontken het niet, ik ben niet dom natuurlijk. Je hoorde de verhalen van waar het KNIL [het koloniale beroepsleger] had huisgehouden, of de speciale troepen van [kapitein Raymond] Westerling. Maar wij waren er niet bij.”

De insinuatie dat hij bij oorlogsmisdaden betrokken zou zijn, haalt een oude wond open. „We gingen daar naartoe voor vorst en vaderland, om Nederlands-Indië te bevrijden. Dat was ons verteld. We werden uitgezwaaid met muziek en we kwamen jankend terug. We werden door niemand onthaald en we waren moordenaars. De politiek, iedereen trok zijn handen ervanaf.”

Terugkijkend weet Alders dat de Indonesiërs er net zo goed als de Nederlanders recht op hadden om hun eigen land te besturen. Maar naderhand is het makkelijk praten. „Het kwam niet in ons op dat die oorlog niet goed was. Ik was een jongen van amper twintig, ik had alleen lagere school. Daarna kwamen die Duitsers en zat ik ondergedoken.”

Hij aarzelt bij het woord oorlog als hij over de strijd om Indonesië praat. „Ze hadden nauwelijks een leger en geen materieel. Het was een guerrilla. De vijand? Die zag je nooit. Het was een zootje.”

Nachten waren het ergst

Al vrij kort nadat zijn regiment op Java aankwam, werden ze beschoten. „We lagen in de Batoejarjar op de slaapzaal toen er voor de eerste keer op ons gevuurd werd. De deur werd door een van ons open geramd en iedereen was in paniek. We gingen naar buiten en schoten in het donker. Onze officieren aan de andere kant kregen zowat de kogels door hun kop. We waren absoluut niet voorbereid”, vertelt Alders. „De nachten waren het ergst. Dan liep je in het donker in je eentje de wacht. Alleen met de vuurvliegjes en je zenuwen.”

Alders draagt ook de fysieke littekens nog. Op het incident in Batoejarjar na, was de beginperiode vrij rustig. Later moest hij meer naar het oosten, naar het onrustige gebied bij Klaten. „Dat vonden we eerst wel best, want in de gevarenzone kreeg je, in plaats van één gulden, per dag 1,50. We reden in een konvooi toen we bij een brug werden aangevallen. Ik was chauffeur. De man naast me werd in zijn maag geraakt en ik, door de deur heen, in mijn edele delen. Ik heb die ander naar het pantservoertuig gesleurd en toen we hem erin schoven, schoten ze mijn benen kapot.” Hij schoot terug met zijn stengun, maar heeft geen idee of hij iemand geraakt heeft. „Ik hoop het niet.”

Na verzorging in Indonesië, werd hij een half jaar eerder dan zijn eenheid naar huis gestuurd.

Ook als er na zijn vertrek is voorgevallen wat op de foto’s in het album van Ridderhof staat, had Alders het moeten horen van zijn kameraden, zegt hij. Hij organiseert nog elke twee jaar een reünie voor de club. Jacobus Ridderhof kwam alleen de eerste paar keer. „Ik wist niet eens dat hij dood was. Als ik een kaart krijg, dan ga ik altijd naar de begrafenis.” Alders zorgt voor een bloemstuk en houdt een toespraak. „Ik zeg altijd: u kunt uzelf recht in de ogen aankijken. Dat zou ik echt niet zeggen als het niet zo zou zijn.”