En toch: er is een museum na de dood

De onwaarschijnlijke kunstverzameling van Albert C. Barnes hangt nu in een museum in Philadelphia. En precies als bij hem thuis: hutjemutje bij elkaar en inclusief zijn grollen.

Vincent van Gogh: De Postbode (Joseph-Étienne Roulin), 1889

Hij hangt wat weggestopt in een hoekje van zaal 2 van de nieuwe Barnes Foundation in Philadelphia, het schilderij De Postbode (Joseph-Étienne Roulin) uit 1889 van Vincent van Gogh. De lijst zit zowat klem tussen de linkerzijwand en de Cézannes ernaast en erboven. Onder De Postbode staat een achttiende-eeuws Amerikaans houten stoeltje dat met zijn rugleuning het doek net niet raakt.

In ieder ander kunstmuseum zou een meesterwerk als dit de ruimte hebben gekregen. Het zou met koorden zijn afgezet om het publiek op afstand te houden. Het zou vergezeld gaan van educatieve tekstborden die het belang van het portret zouden benadrukken. Maar niet in Philadelphia. Daar hangen de kostbare impressionisten en post-impressionisten van dr. Albert C. Barnes nog precies zoals hij ze thuis had opgehangen, voordat hij in 1951 bij een auto-ongeluk om het leven kwam: hutjemutje bij elkaar, omringd met eeuwenoude meubels en decoratief smeedijzer.

De collectie van Barnes, een Amerikaanse arts die begin twintigste eeuw een fortuin verdiende aan de inmiddels in onbruik geraakte neus- en oogdruppels van het merk Argyrol, gaat alle superlatieven te boven. Het is een verzameling waar de meeste kunstmusea alleen maar van kunnen dromen. Zo hangen er, verdeeld over 24 zalen, meer Renoirs dan je ooit bij elkaar zult zien – 181 in totaal. Er zijn 59 Matisses, 46 Picasso’s, 21 Soutines, 7 Van Goghs, 16 Modigliani’s. En er zijn maar liefst 69 Cézannes, waaronder een van de vijf versies van De Kaartspelers – het duurste kunstwerk ter wereld sinds er eerder dit jaar één voor 250 miljoen dollar verkocht werd. De totale waarde van de collectie wordt geschat op zo’n 25 miljard dollar (20,5 miljard euro).

Tot voor kort zat die waanzinnige kunstschat opgeborgen in Barnes’ woonhuis in Merion, een voorstadje van Philadelphia. Barnes had in zijn testament laten opnemen dat er na zijn dood geen schilderij meer van zijn plek gehaald, verkocht, gereproduceerd of uitgeleend mocht worden. In 1922 al had hij zijn collectie, zijn huis en het omliggende arboretum ondergebracht in de Barnes Foundation, een studiecentrum waar lessen in kunstbeschouwing werden gegeven aan ‘de gewone man’.

Na zijn dood liet Barnes een legaat van 10 miljoen dollar na om de stichting voort te zetten. Wie er op bezoek wilde, moest maanden van tevoren een afspraak maken; per week werden er maximaal 1.200 mensen op het landgoed toegelaten.

Maar het legaat bleek niet toereikend om de stichting draaiende te houden, en rond de eeuwwisseling maakte de Barnes Foundation bekend in grote financiële moeilijkheden te verkeren. De oplossing, besloot het bestuur, was om de collectie naar downtown Philadelphia te verhuizen. Naar een nieuw gebouw dat meer bezoekers aan zou kunnen en meer inkomsten zou kunnen genereren. Zo’n verhuizing vereiste wel een aanpassing van Barnes’ testament, waarvoor de rechter pas in 2004, na jarenlang juridisch gesteggel, toestemming gaf. Op één voorwaarde: dat de schilderijen en antiekstukken exact zo werden opgehangen en neergezet als Barnes dat zelf had gedaan, thuis in Merion.

Afgelopen mei is de nieuwe Barnes Foundation geopend, in het culturele hart van Philadelphia, met op een steenworp afstand het Rodin Museum en het Philadelphia Museum of Art .

Het nieuwe gebouw, ontworpen door het New Yorkse architectenpaar Tod Williams en Billie Tsien, is vier keer zo groot als de oude Barnes en heeft alle voorzieningen die een modern museum nodig heeft, zoals een auditorium, een café en een expositieruimte voor tijdelijke tentoonstellingen. Van buiten ziet het eruit als een modernistische blokkendoos, met gladde kalkstenen muren en veel glas. Maar die minimalistische façade is niet meer dan een hoes om het juwelenkistje. Want wie eenmaal de vleugel met de collectie betreedt, waant zich wel degelijk in het huis van een excentrieke verzamelaar, met het gebouw volledig in dienst van de kunst.

Tot op de millimeter is de oude situatie gereconstrueerd. De tentoonstellingszalen zijn, net als in de oude Barnes, op het zuiden gericht. De wanden zijn met dezelfde mosterdkleurige jute bespannen als in Merion, de deurposten gemaakt van hetzelfde walnoothout. In de erezaal is het plafond zo ontworpen dat het drieluik De Dans van Henri Matisse, dat de schilder in 1932 ter plekke in Merion maakte, er weer precies in past. Het enige verschil met de oude Barnes is het licht. In Merion waren de kamers vrij donker. Hier stroomt het daglicht overvloedig door dakramen naar binnen, waardoor de werken veel frisser overkomen – alsof ze zijn schoongemaakt.

Het is een onvergetelijke ervaring, om vanuit de drukte van het stadscentrum dit heiligdom binnen te stappen. Het is een tempel gevuld met kunstschatten waarvan je er hoogstens een paar van reproducties kent. Met achter iedere deur weer een nieuwe kamer vol verrassingen, zoals een zeldzaam ovaalvormig portret dat Van Gogh in 1887 maakte van een naakte dame – nooit eerder had ik zoiets gezien. Barnes had de kamers strikt symmetrisch ingericht, niet op stijl of stroming, maar op overeenkomsten in formaat, kleur of onderwerp. „Ensembles” noemde Barnes die schikkingen. Door hedendaagse kunstogen bezien zijn het krankzinnige combinaties: een Gauguin en een Seurat naast een anoniem vijftiende-eeuws religieus schilderij, of twee Chardins die een El Greco flankeren. Maar ze laten je wel degelijk met een frisse blik kijken naar de compositorische overeenkomsten.

Barnes stopte zijn ensembles bovendien vol met grapjes. Een wulps naakt van Renoir hangt met haar billen boven een stoel met extra breed zitvlak. Daar weer boven hangt een stuk smeedijzer dat de ronde vormen nog eens lijkt te echoën. Dat Van Goghs Postbode zo in een hoekje wordt weggezet, is omdat Barnes hem een mindere schilder vond. Hij kocht zijn Van Goghs puur voor educatieve doeleinden. In naam en faam was de dokter niet geïnteresseerd. Zo hangt er tussen de Cézannes en Matisses gerust een werk van de onbekende Amerikaanse realist William Glackens – omdat Barnes met hem op school had gezeten.

De grote vraag is natuurlijk: zou Barnes zich in zijn graf omdraaien, als hij kon zien hoe zijn geliefde verzameling nu ondergebracht is in een glanzend museumgebouw? Sinds de opening in mei is daarover in de Amerikaanse pers een hevige discussie losgebarsten. De verhuizing werd door The New Yorker bestempeld als „een esthetische misdaad”. Het nieuwe gebouw is door The Philadelphia Inquirer al „een mausoleum” genoemd. Tegenstanders vinden dat de tijdloze magie van het huis in Merion, met zijn intieme kamers en omliggende parken en bossen, nu definitief de nek is omgedraaid. „Niets legitimeert deze aanslag op de laatste wensen van de weldoener”, schreef persbureau Bloomberg.

Maar er zijn ook voorstanders. Roberta Smith noemde in The New York Times het nieuwe museum „een verbeterde versie van de oude Barnes”. The Wall Street Journal voegde daaraan toe: „De nieuwe Barnes zou niet moeten werken, maar doet dat wel. Het museum zou niet authentiek moeten zijn, maar is het wel. Het is veranderd, maar hetzelfde gebleven.”

Eén ding is zeker: de nieuwe Barnes Foundation heeft Philadelphia in één klap gepromoveerd tot de topdrie van belangrijkste kunstbestemmingen in de VS, na New York en Washington. Bezoekers stromen toe, en dat zou Barnes zeker goed hebben gedaan. Hij wilde graag dat zijn collectie na zijn dood door zoveel mogelijk mensen gezien zou worden – ook dát schreef hij in zijn testament. Zijn kunst was nadrukkelijk niet bestemd voor de elite, maar voor „mannen en vrouwen die door dagelijks hard te zwoegen in hun levensonderhoud voorzien”, voor zwarte Amerikanen en voor studenten en schoolkinderen die anders wellicht nooit met kunst in aanraking komen. Nu, in het nieuwe gebouw dat door de Barnes Foundation zelf consequent ‘campus’ genoemd wordt, kan dat. Er is een studiecentrum, er zijn klaslokalen. Vele nieuwe generaties kunstliefhebbers zullen zich hier de komende jaren kunnen vergapen aan Barnes’ unieke visie op kunst. Zijn erfenis komt in dit integere, sobere gebouw optimaal tot zijn recht.

En die gekke hybride mix van oud en nieuw? Ach, daar had dokter Barnes vast wel om kunnen grinniken. Hij deed zelf niet anders.

The Barnes Foundation, 2025 Benjamin Franklin Parkway, Philadelphia.