Bellen blazen kan niet in de regen

Half Europa klontert samen op de Amsterdamse camping Zeeburg. De gasten laten zich niet tegenhouden door het slechte weer. In plastic poncho’s en onder paraplu’s bezoeken ze Amsterdam. Want daar kwamen ze voor.

Een verregende camping Zeeburg in Amsterdam. In het restaurant brandt het haardvuur, maar veel gasten blijven buiten. Foto Olivier Middendorp

Op het achterste veld beginnen plassen te ontstaan, maar de Hollandse zomer lijkt de Amsterdamse camping Zeeburg niet te deren. Omgeven door rietkragen, met uitzicht op de A10, staan lage trekkerstentjes kriskras door elkaar op volle veldjes. Campers staan in het gelid op met steen verhard gras. Over de brug op betonnen pijlers waar de camping tegen opkijkt, lopen groepjes campinggasten onder paraplu’s richting tram 26. Naar de stad.

Half Europa klontert samen op deze strook land met gras en bomen. In het hoogseizoen komen er vooral veel Duitsers, Fransen en Engelsen, zegt beheerder Pepijn van den Heuvel. In het laagseizoen meer Nederlanders en Scandinaviërs. Er is een enkele Fin. Wat Australiërs. In opkomst is de Oost-Europese toerist.

Voor arbeidsmigranten is deze camping niet aantrekkelijk; de maximale verblijfsduur is twee weken voor een tent en een week in een ‘pipowagen’ of ‘cabin’. De bezetting, maximaal 1.500 gasten per nacht, blijft iets achter bij vorig jaar, maar verder is het business as usual.

Twee Fransen vertrekken onder grote poncho’s op hun fietsen naar Den Haag. Een Duitse camper van het merk Sunliner draait het terrein af, een Zweedse camper rijdt het terrein op. Een Brits stel uit Weybridge stouwt de achterbak van zijn blauwe Ford Zetec vol. Ze zijn gekomen voor het concert van Madonna, vorig weekend in het Ziggo Dome. Wegens het weer gaan ze een dag eerder terug dan gepland. Vannacht hebben ze niet zo goed geslapen. „Mensen bleven tot vijf uur praten en roepen”, zegt zij (32), goedgemutst. Hij (36), narriger: „Misschien zijn we hier te oud voor.”

Rookontwikkeling. Een groep dikke Duitse jongens roostert worsten bij een picknicktafel onder een blauw afdak. In een zilvergrijze koepeltent zitten vier jongens in een kring wijdbeens te blowen. Een Franse jongen in Lacoste-shirt, beginnend snorretje, steekt een sigaret op onder een afdak bij het invalidentoilet. Hij wilde eigenlijk naar het Stedelijk, maar kwam erachter dat dat nog gesloten is. Hij gaat dan maar naar het Van Gogh.

Sowieso doen de musea vandaag goede zaken. Twee studentes uit de omgeving van Genua staan op het punt te vertrekken naar de Hermitage en het fotografiemuseum Foam. Twee jongens uit Duitsland, op slippers op weg naar hun tent, bezochten eerder het Rijks, en willen vandaag naar het Anne Frankhuis. Een Deens stel loopt achter een buggy naar de uitgang. Ze gaan naar het Rijksmuseum, vertelt zij, met vlechtjes en een zilveren neuspiercing. Zoon van twee draagt een zwart regenpak.

In het bar-restaurant staat een bluesnummer op. Op de tafels branden bekerkaarsen. Een Natte Amsterdam Dubbel kost vier euro. Een Zatte Amsterdam Triple ook. Veel gasten laten het haardvuur voor wat het is en blijven toch buiten hangen, onder de niet geheel waterdichte katoenen schermen boven het terras.

Twee Polen zitten daar met wollen mutsjes op zwijgend te schaken. Wit studeert rechten in Krakow, zwart is gesjeesd in Engelse taal- en letterkunde. Ze zijn gekomen om bier te drinken en „bellen te blazen”, zeggen ze. „Maar het weer is niet zo bellenblaasvriendelijk.” Ze reizen met het openbaar vervoer, en beslissen per dag waar ze hun tent opzetten. Het schaakbord hebben ze meegenomen voor als het regent. Nederland is mooi, zegt wit. Alles goed geregeld, tolerante mensen. Wit is aan de winnende hand.