Wij zien besnijdenis juist als iets goeds

Vader en zoon Loonstein zijn beiden moheel, besnijder. De enigen in Nederland. De besnijdenissen zijn medisch omstreden. Voor joden gaat het om een verbond met God.

Herman Loonstein heeft thuis een hoop sigarendoosjes. Daarin zitten de opgedroogde voorhuidjes van zo’n 1.500 joodse jongens. Die heeft hij, als moheel, in de loop van 28 jaar allemaal besneden.

Wanneer Loonstein is gestorven, wordt hij als alle gelovige joden begraven, in dezelfde kleren, in een identieke kist. Maar hij heeft een voorrecht. Hij mag de voorhuidjes meenemen in zijn graf.

Joden en moslims hadden net het debat over rituele slacht achter de rug – het mag nog – en nu laait een nieuwe discussie op: jongensbesnijdenis. Het Duitse gerechtshof oordeelde in juni dat jongensbesnijdenis zware mishandeling is. Aanleiding waren complicaties bij een besneden moslimjongetje van vier jaar. De Nederlandse artsenorganisatie KNMG voert ook al een paar jaar een ontmoedigingsbeleid: artsen ontraden ouders actief om hun zoon te laten besnijden. Toch worden in Nederland zeker 10.000 moslimjongetjes per jaar besneden, in speciale klinieken, door artsen. Als artsen het niet doen, gebeurt het heimelijk, is de redenering. En dat kan gevaarlijk zijn.

Vorige week onderstreepten artsen hun bezwaren nog eens bij een KNMG-congres over besnijdenis. Er verschijnen al een week felle opiniestukken in de Volkskrant en op websites: wat een naar, onnodig ritueel, dat besnijden. Bij joden en bij moslims.

Loonstein (54) en zijn zoon Sruli (26) zijn in Nederland de enige ritueel besnijders – of ‘circumcisiologen’, zoals zij zichzelf liever noemen. Zo’n vijftig tot honderd babyjongens per jaar gaan bij hen onder het mes. Weer of geen weer, professionele afspraken of niet – Herman of Sruli reist af om het kind op de achtste dag na de geboorte te besnijden. Loonstein spreekt gebeden uit, snijdt de voorhuid weg en geeft het kind zijn joodse naam. De ouders krijgen een certificaat uitgereikt. Herman: „We komen in alle kringen. Van ‘pijpekrullen’ tot volstrekt geassimileerde joden.”

Het verschil met islamitische besnijdenissen is groot, vertellen vader en zoon Loonstein. Voor joden is besnijdenis het belangrijkste ritueel. Belangrijker dan kosjer eten of de sabbat respecteren. Besnijdenis vormt het verbond met God. Praktische argumenten ervoor kan Loonstein niet geven. Het moet volgens de Thora op de achtste dag na de geboorte gebeuren. In de islam zou alleen gelden dat de Profeet Mohammed heeft gezegd dat besnijden ‘aanbevelenswaardig’ is, zeggen zij.

Een joodse man die niet is besneden, verliest tal van rechten. Hij mag geen lid worden van de kerkeraad van de joodse gemeente. Hij kan niet joods trouwen, want daarvoor is een besnijdeniscertificaat vereist. Sterker, hij kan er ernstig onder lijden, zegt Herman Loonstein. Religieus maar ook sociaal, want zijn vrienden en latere vrouw zullen hem erop aankijken. Loonstein citeert graag de Britse professor Michael Freeman, expert op het gebied van kinderrechten: „Joodse en islamitische ouders die hun zoon niet laten besnijden, handelen in strijd met zijn belang.”

Nog een verschil: een islamitische moheel bestaat niet, er is geen opleiding voor. Op het platteland, in bijvoorbeeld Marokko, doet vader of oom de besnijdenis zelf. Hij zet een klem op de voorhuid van de baby en verwijdert de klem na 20 minuten, als de huid is afgestorven. In Nederland doen artsen de ingreep, die slechts door een handvol zorgverzekeraars wordt vergoed.

Loonstein en Loonstein zijn er wel voor opgeleid. Sruli leerde het vak in Israël, waar hij meeliep met een moheel die zeven besnijdenissen per dag deed. „Dan krijg je het snel in de vingers.” Zijn vader Herman leerde het van de vroegere Nederlandse moheel S. Spiero, 28 jaar geleden. Herman: „Mijn eerste zoon werd geboren en ik dacht: dat wil ik zelf ook wel doen.” Hij heeft zes zoons.

Vader en zoon Loonstein hebben er veel voor over. Ze gaan meestal een paar keer op bezoek bij de ouders, om voor- én nazorg te verlenen. Dat kan omdat ze allebei werken in het advocatenkantoor van vader Herman, in het Amsterdamse Buitenveldert. „We beheren onze eigen agenda en kunnen dit er bijdoen. Als je in loondienst bent, is dat moeilijker.” De vorige moheel was tandarts en kon ook zijn eigen uren indelen.

Beloond worden ze niet. „Wij zien het als een miswah, een goede daad.” Moslims moeten wel betalen voor besnijdenis, omdat een dokter de ingreep uitvoert. De kosten – 900 euro – worden vaak vergoed in een ‘aanvullend’ zorgverzekeringspakket.

Doet besnijden geen pijn? Dat weet niemand zeker, lachen Loonstein en Loonstein. Maar de baby huilt wel even, dus „comfortabel kan het niet zijn”. De hele besnijdenis – van luier uit tot luier aan – duurt maar twee minuten. Ze gebruiken een mesje dat aan twee kanten vlijmscherp is. Anders zou een beginnende moheel van de zenuwen misschien met de botte kant van het mes gaan snijden.

Ze verwijzen een baby door naar de dokter als daar medische redenen voor zijn. Baby’s die op de achtste dag na de geboorte nog te geel zijn of te licht van gewicht, besnijden ze niet, zegt Sruli Loonstein. Complicaties doen zich zelden voor. Vijf keer in 28 jaar, schat Herman, heeft hij het nabloeden bij een baby niet kunnen stelpen. Hij spoedde zich met het kind naar de EHBO.

Hoe vaak hij mannen heeft ontmoet die boos zijn over de ingreep die zij als kind ondergingen? „Nooit. Maar ik ontmoet wel geregeld mannen die klagen dat zij als kind niet besneden zijn. Voor een volwassene is de ingreep veel pijnlijker.”

Waarom rijzen er plots bezwaren tegen een ritueel dat Joden al vierhonderd jaar toepassen in Nederland? Loonstein denkt dat het gebruik opvalt omdat moslims het op veel grotere schaal doen, en pas sinds er islamitische jongens in Nederland worden geboren – hooguit dertig jaar. „Het is net als met de rituele slacht. Bij ons gaat het om honderden dieren per jaar, bij moslims om duizenden. Dat zien veel meer mensen.”