Wagner aapte alleen maar religie na, vindt Stravinsky

Igor Stravinsky: Muzikale poëtica in de vorm van zes lessen. Vert. Pien Braat. Nieuwezijds, 156 blz. € 16,95

In Chroniques de ma vie, zijn autobiografie tot 1934, vertelt de van oorsprong Russische componist Igor Stravinsky (1882-1971) hoe hij eens een opvoering van Richard Wagners opera Parsifal bijwoonde in Bayreuth, het mekka van de Wagnerverering. Nederig en doodstil zat hij te luisteren. Na een uur en een kwartier hield hij het niet meer uit en ging hij verzitten. Dat ging met wat gekraak van zijn harde houten stoel gepaard. ‘Nu was ik de klos!’ schrijft hij: honderden boze ogen van de bezoekers keken hem aan. Hij kon vervolgens nog maar aan één ding denken: het slot van het eerste bedrijf dat ‘een einde maakte aan mijn martelaarschap’ en hem verlossing in de vorm van bier en worst zou brengen.

Wat Stravinsky stoorde aan Wagners opera’s was het ‘naäpen van een religieuze rite’. Dat staat de genieting van muziek in de weg, vond hij. Want geloof vereist onderwerping en die is onverenigbaar met kritische distantie tegenover een kunstwerk. En die is onmisbaar bij de waardering en beoordeling van muziek.

Vijf jaar jaar later kwam Stravinsky met nog meer bezwaren tegen Wagners muziek, in de vierde van de zes lessen ‘muzikale poëtica’ die hij in 1939 in het Frans gaf aan de Harvard University in het Amerikaanse Cambridge. Door het gebruik van onder meer Leitmotive reduceerde Wagner muziek tot illustraties van iets buitenmuzikaals. ‘Wordt inderdaad niet het onmogelijke gevraagd als van de muziek verwacht wordt dat ze gevoelens uitdrukt, dramatische toestanden vertolkt, en zelfs de natuur nabootst?’ vroeg de componist die vond dat muziek helemaal niets kan uitdrukken, maar zelf wel eens huilde bij het horen van zijn eigen muziek.

Heel systematisch zijn de zes lessen muzikale poëtica, die nu voor het eerst in het Nederlands zijn vertaald, niet. Stravinsky begint weliswaar met algemene opmerkingen over muziek – ordening van geluiden, volgens zijn definitie, zodat vogels geen muziek maken – en daalt vervolgens af naar het bijzondere, zoals compositie en typologie, maar erg technisch wordt het nooit. Notenvoorbeelden zijn opvallend afwezig in het boekje.

Hechte betogen zijn de colleges evenmin. Het heeft er veel weg van dat Stravinsky voor de vuist weg een aantal van tevoren vastgestelde onderwerpen behandelde. Maar dit neemt niet weg dat hij veel buitengewoon interessante en verstandige dingen zei over bijvoorbeeld ambachtelijkheid en het belang van regels en traditie in kunst. Zo merkte hij op over de eis van eigentijdsheid waarmee kunstenaars nog altijd worden geconfronteerd: ‘Er wordt wel gezegd dat men met zijn tijd mee moet gaan. Een overbodige raad: hoe kan men anders? Ook al zou ik ‘vroeger’ willen overdoen, dan nog zouden de hevigste pogingen van mijn boze verlangen vergeefs blijven.’