Smerig, subliem Londen ‘Lickpenny’

Londen, stad van de Olympiade 2012, kun je als een groot gedicht beleven. Dat blijkt uit een speelse bloemlezing van Mark Ford. Dat de werkelijkheid minder poëtisch is, beschrijft David Kynaston in zijn geschiedenis van de City.

Threadneedle Street in het Financial District, Londen 2006 Foto Trent Parke /Magnum/Hollandse Hoogte

Er is een man uit Kent die naar Londen gaat. Daar wordt hij onmiddellijk bestolen. De ene na de andere advocaat weigert hem te helpen, want hij heeft nu eenmaal geen geld. Lopend door Londen krijgt hij allerlei lekkers aangeboden. Vruchten, saffraan, druipend rundvlees. En de mooiste stoffen uit Parijs. Maar hij heeft nu eenmaal geen geld.

In de wijk Cornhill, waar veel gestolen waar te koop is, ziet hij nota bene zijn eigen mantel hangen. ‘I kenned it as well as I dyd my Crede.’ Maar het lijkt hem fout om voor iets te betalen dat van hemzelf is. En bovenal: hij heeft nu eenmaal geen geld. Ja, toch, net genoeg om na alle teleurstelling een pint wijn te kopen. Daarna keert hij terug naar Kent en besluit nooit meer een voet in Londen te zetten. Want ‘he that lackethe money’, heeft in die stad nu eenmaal geen succes.

‘London Lickpenny’, geldslurper, heet het anonieme gedicht dat rond 1400 is geschreven. Door de sprankelende beelden en de geestige toon is het favoriet onder bloemlezers van Engelse poëzie. Mark Ford heeft het terecht ook opgenomen in London: A History in Verse, zijn ‘poëzieportret’ van de stad waar, zo schrijft hij, ‘het smerige en het sublieme elkaar proberen te verdringen’.

In een ander recent boek, City of London: The History, beschrijft historicus David Kynaston hoe het middeleeuwse stadshart na 1815 uitgroeide tot financieel megaknooppunt, dat fortuinen maakt én zo weer opslurpt. Neem de Brush boom van 1882. In het nog door gaslantaarns verlichte Engeland schoten allerlei beursgenoteerde bedrijfjes op, die geld hoopten te verdienen aan een nieuw fenomeen: elektriciteit. Eén ervan was Metropolitan Brush, dat de door Charles Brush gepatenteerde ‘booglamp’ wilde exploiteren. Die lamp werkte met een overspringende vonk in plaats van de gloeidraad die later de norm zou worden.

Vooral kleine investeerders vlogen er als motten op af, en de koers van het aandeel steeg spectaculair. Toen het gerucht begon te gaan dat Brush’ lamp niet future-proof was, knapte de zeepbel. Nog jarenlang wantrouwden de Britten alles wat met elektriciteit had te maken. Parijs schakelde over. Londen hield zijn gaslampen.

Kynastons City is de ‘vierkante mijl’ aan de Theems tussen St Paul’s Cathedral en de Tower, waar Londen begon als Romeinse nederzetting. Intussen is er veel stad bijgekomen. Het theaterdistrict West End, nu hartje Londen, heet bijvoorbeeld zo omdat het westelijk van de City lag, buiten de stadsmuren, waar van alles mocht (althans gebeurde) wat daarbinnen verboden was. De City, het oude hart, bestaat nu in meerderheid uit kantoren en kan na borreltijd voelen alsof de neutronenbom er is gevallen. Henry S. Leigh (1837-1883), die (met enige reden) beroemder is geworden door zijn operavertalingen dan door zijn poëzie, zag dat ook al. ‘Temples of Mammon are voiceless again’, dichtte hij. ‘Babel of Commerce, thine echoes are still.’

De ‘financiële City’ van na 1815 is in Mark Fords chronologisch opgezette bloemlezing slechts een figurant. Hij kon sowieso minder Londense gedichten vinden uit de Victoriaanse tijd. Niet omdat er minder gebeurde dat een gedicht waard zou zijn, maar, suggereert hij, omdat romanschrijvers – destijds een nieuw beroep – zich de stad hadden toegeëigend.

Pas in de late negentiende eeuw kreeg Londen bij Oscar Wilde weer een hoofdrol, in navolging van wat Baudelaire voor Parijs had gedaan. Zoals in ‘Impression du Matin’, waarin Wilde een Londens riverscape neerzet als een schilderij van Turner of Monet: ‘The yellow fog came creeping down/ The bridges, till the houses’ walls/ Seemed changed to shadows, and St. Paul’s/ Loomed like a bubble o’er the town.’

De bloemlezing vangt lang niet ieder tijdperk of historische gebeurtenis, maar laat zien hoe stad en poëzie zich vanouds in elkaar weerspiegelen. Sommige gedichten schreven zichzelf de bloemlezing in. Over de onthoofding van Karel I in 1649, of de grote pestuitbraak van een paar jaar later, bijvoorbeeld. Anonieme versjes als ‘London Bridge is Falling Down’ en ‘Oranges and Lemons’ (‘say the bells of St Clemens’). Chaucer, Wordsworths gezicht vanaf Westminster Bridge en Keats’ mijmeringen bij de Elgin Marbles in het British Museum. Seamus Heaney, op de terugweg van de Proms in de ondergrondse, nadat hij ruzie heeft gemaakt met zijn vriendin. ‘To end up in draughty lamplit station/ After the trains have gone, the wet track/ Bared and tensed as I am, all attention/ For your step following and damned if I look back.

Sommige grote namen vielen nogal opvallend af: zo hebben W.H. Auden, Coleridge en Christopher Marlowe nooit een Londens gedicht gemaakt, schrijft Ford, ‘althans geen gedicht dat zijn ‘London-ness’ krachtig genoeg adverteert om het hier op te nemen.’ Daar zit iets in. Marlowe associeer je wel met Londen, maar dat is door zijn toneelstukken. En Auden is wel heel Engels (en Amerikaans en Italiaans), maar inderdaad niet erg Londens.

‘Londensheid’ als criterium blijft niettemin wat vaag. ‘Rain Journal: London: June 65’ van Lee Harwood (1939), over een onbereikbare geliefde is bijvoorbeeld wel opgenomen – … whole days spent/ remaking your face. Maar alleen aan de titel kun je zien dat het een Londens gedicht moet zijn.

Ford werpt zo wel een net uit dat wijd genoeg is om de verscheidenheid van de stad te vangen. Alle hoeken van de stad, kerkhoven, parken en pleinen komen aan bod. Van het volkse East End tot high-brow Hampstead; die laatste wijk helaas iets te vaak, maar dat is omdat daar nu eenmaal altijd veel schrijvers hebben gewoond.

Alle seizoenen, klassen, dialecten. Roepende handwerkslieden, kinkels, nuffige neo-Romeinen uit de achttiende eeuw, en de business girls, de dodelijk vermoeide werkende vrouwen uit het gedicht van John Betjeman, die tussen werk en gezin naar het badhuis gaan. ‘And behind their frail partitions/ Business women lie and soak,/ seeing through the draughty skylight/ Flying clouds and railway smoke.

Dat er vette Londense clichés bijzitten is onvermijdelijk, maar clichépoëzie heeft Ford grotendeels vermeden. Zeg Londen en je denkt: rode dubbeldekkers. Maar Ford laat ze opdraven in een gedicht van A.S.J. Tessimond (1902-1962) over Londen in de smog: herded buses/ edge through the gloom/ with blunt noses – waar ze in al hun rolbevestigends de vervreemding juist versterken.

Het unheimliche heeft er altijd bij gehoord, al associeer je het vooral met de twintigste eeuw, toen sommige dichters het landschap van hun ziel zo klemmend op de stad legden. Neem het desolate Talbot Road van Thom Gunn (1929-2004), waarin hij de plekken van zijn jeugd opzoekt. ‘Tony is dead, the block where I lived/ has been torn down. The mind/ is an impermanent place, isn’t it,/ but it looks to permanence.’ Of, veel eerder, T.S. Eliot (1888-1965) natuurlijk, in ‘The Waste Land’, dat begint met zijn ‘uit de dood opgestane’ bankklerken, in optocht over de brug onderweg naar de City.

Kynastons geschiedenis van die bankklerken en het ‘Bable of Mammon’ waar ze werken, verscheen vanaf 1995 in vier delen (in totaal een kleine 3.000 pagina’s). In de eendelige editie die nu uit is, is dat teruggesnoeid tot bijna 700. Daarbij is veel gesneuveld. De Brush broom heeft het bijvoorbeeld niet gehaald, maar uit de reeks busts en bankroeten die Kynaston wel noemt, blijkt dat hij van alle tijden is.

Geen stadsdeel dat zo is veranderd als de City. De straten hebben er nog steeds middeleeuwse namen. Wie Lombard Street zegt bedoelt ‘de geldmarkten’, maar dat straatje begon als thuis van de goudsmeden uit Lombardije. De grote brand van 1666, en de Blitz van 1940-’41 lieten weinig intact behalve het stratenpatroon.

De Thatcherjaren (1979-1990) veranderden de City ook intern radicaal, door de Britse liberaliseringen en privatiseringen. De ‘Big Bang’ (1986) vaagde oude beursregels weg, gaf banken – met name buitenlandse – een aandeel in het beursbedrijf, en computerschermen vervingen de handelsvloer. Maar de grootste verandering – de sluipende, maar echte ‘Big Bang’ – was dat Londen in de jaren daarvoor al het grootste deel van de internationale obligatiehandel (Eurobonds) had binnengehaald. Die was dertig keer de omzet van de aandelenbeurs waard.

Het toont, aldus Kynaston, hoe ver ‘de markten’ en de rest van de Britse economie uit elkaar zijn gegroeid. De City werd een internationale economie op zichzelf. Dat heet wel het ‘Wimbledon-effect’; de Britten organiseren het toernooi, de meeste spelers zijn buitenlanders.

Dat dat altijd al een beetje zo was, toont Kynaston in de levendige portretten die hij door zijn boek weeft. Zoals van Siegmund Warburg, die de eurobond-markt naar Londen haalde, en een andere Duitser, Nathan Rothschild, die zo’n fortuin maakte dat hij tijdens de bankencrisis van 1825 de Bank of England eigenhandig van kapitaal voorzag. Kom daar nog eens om.

De geschiedenis herhaalt zich nooit op dezelfde manier, maar je struikelt in dit boek over de déjà vu’s. De dotcom-zeepbel, en de crash van 2008 vielen buiten Kynastons bestek, maar ze onderstrepen dat de City een slecht geheugen heeft, schrijft hij in het voorwoord van de nieuwe editie.

Londen is het ‘distillaat van de globalisering’, zoals The Economist laatst mooi schreef. Maar de City behield wel altijd zijn menselijke schaal: niet inhaliger dan nodig, niet-onverantwoordelijk, en onder gezag van de gouverneur van de Bank of England. De jongste crises laten echter zien dat het daaraan steeds meer schort. Anonieme jongelui zonder levenservaring nemen, aangemoedigd door een absurde bonuscultuur (zeven miljard pond in 2011) onverantwoorde risico’s met geld dat niet van henzelf is, schrijft Kynaston. Zonder verantwoordelijkheid te dragen als het fout gaat, en met de belastingbetaler als belangrijkste achtervanger.

Of de geest weer terug in de fles kan, is afhankelijk van de mate waarin politici bevoegdheden kunnen terugnemen die ze de afgelopen decennia uit handen gaven, maar zonder de vitaliteit van de wereldstad te smoren. Kynaston gelooft dat het kan, omdat Londen ‘altijd zijn kans grijpt’.

It’s a London thing’, roept een wilde, lachende passagier van een nachtbus in het laatste gedicht van A History in Verse. Wat dat ‘Londense ding’ precies is, kom je uit dat gedicht niet te weten, maar dat is ook niet nodig: het is de polsslag van de stad. En die van beide boeken.