Rustig de kosmos afluisteren

‘De filosofie van het luisteren’ is eigenlijk een Wagnerboek. Op zichzelf is daar niets mis mee, maar met dit boek wel.

Een kleine waarschuwing is op zijn plaats. Wie op de titel van De filosofie van het luisteren afgaat, krijgt de indruk met een filosofisch zelfhulpboek te maken te hebben: haal meer uit uw muziekervaring, aan de hand van wat grote filosofen daar zoals over hebben beweerd, vergelijkbaar met de werkwijze van schrijver Alain de Botton. Menigeen die het boek met die verwachting koopt, zal De filosofie van het luisteren na een bladzijde of veertig wegleggen.

Hub Zwart, hoogleraar filosofie van de natuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen, is het in dit boek te doen om grote, metafysische kwesties. De Heideggeriaanse ondertitel Partituren van het Zijn duidt daar al op. In het natuurwetenschappelijke onderzoek naar het menselijke genoom is niet langer ‘het boek van het leven’ een geliefde metafoor, maar eerder de ‘partituur van het leven’. Ook de sterrenkunde speurt naar de ‘partituur’ waaruit de muziek (de kosmos) is ontstaan.

Van het concert des levens krijgt niemand een program, maar de partituur ligt wijd open op tafel. Of hier sprake is van meer dan een aansprekende metafoor, blijft in dit boek onduidelijk. Maar het idee gaat terug tot de ‘harmonie der sferen’ van de antieke wijsgeer Pythagoras.

Zwart wil ook een einde maken aan wat hij noemt de ‘muziekvergetelheid’ van de filosofie, nog zo’n Heideggeriaans begrip. Filosofen zouden zich met even veel verve op muziek moeten storten als op de taal. Hij haakt aan bij populair-wetenschappelijke literatuur, die speculeert over de oorsprong van de muziek, bij de ‘zingende Neanderthalers’, die verder terug zou liggen dan de oorsprong van de taal.

Toch is ook de ondertitel lichtelijk misleidend, want het gaat in dit boek niet om alle muziek, maar om heel specifieke: die van Richard Wagner. Eigenlijk is De filosofie van het luisteren een Wagnerboek. Daar is niks mis mee: over Wagner raken we nooit uitgepraat. Maar zet zijn naam dan gewoon in de titel.

Contramine

Als Wagnerstudie is De filosofie van het luisteren niet bevredigend. Het probleem is dat de auteur zich met huid en haar aan zijn idool heeft overgeleverd. Dat maakt het niet alleen moeilijk om een kritische verhouding tot het werk tot stand te brengen, maar vooral ook om tot een eigen, zelfstandige positie te komen, die niet voor het grootste deel samenvalt met die van Wagner zelf. Voortdurend in de contramine gaan en tegen Wagner indenken is wellicht niet vruchtbaar, hoewel Nietzsche een heel eind kwam. Die filosoof krijgt in Zwarts boek als een schooljongen op zijn kop omdat hij onvoldoende ‘diepgravend filosofisch onderzoek’ naar Wagner zou hebben gedaan, en zich schuldig zou hebben gemaakt aan ‘wetenschappelijk wangedrag’. Maar volledig in het spoor van Wagner meegaan, zoals Zwart doet, is ook zinloos. Wie vooral in negentiende-eeuwse termen als ‘dionysische’ en ‘appolinische’ kunst wil blijven denken, kan beter Wagner en de jonge Nietzsche zelf lezen.

Hoe je vanuit grote bewondering toch nog een eigen positie kunt innemen en verdedigen, laat de Franse filosoof Alain Badiou zien in zijn voortreffelijke Five Lessons on Wagner. Hoe vruchtbaar hevige, gemengde gevoelens kunnen zijn blijkt uit de vele pagina’s die Thomas Mann over Wagner schreef. Dat zijn auteurs die Zwart aanhaalt en samenvat – met vele anderen, van Freud tot Deleuze – maar hij gaat niet echt met deze voorgangers in debat. Daardoor leest De filosofie van het luisteren vaak als een collegedictaat, ook wat de bleke stijl betreft. Van alles komt voorbij, van de val van de Berlijnse Muur tot het ontstaan van de moderne Olympische Spelen, van de ‘topologische analyse’ tot de ‘moleculaire duiding’. De lezer stuit op uitspraken die zo algemeen zijn, dat ze nauwelijks meer iets zeggen: ‘Ook in de wetenschap en de politiek lijken we meer dan ooit de complexiteit en turbulentie van het werkelijke te beseffen.’ Tja. Misschien is die taalfilosofie toch niet zo’n gekke bezigheid.

Op detailniveau zijn er veel eigenaardigheden te vinden. Wie de recente Parsifal van De Nederlandse Opera heeft gehoord en gezien, waarin zo hartstochtelijk wordt geklaagd, gejammerd en geleden verbaast zich over het volgende: ‘Wagners muziek klinkt vitalistisch, al was het alleen maar vanwege de hypergezonde, atletische, bronstige uitstraling van de hoofdrolspelers op het toneel.’ Voor Alain Badiou is Wagner eerst en vooral de ‘kunstenaar van het lijden’. Misschien ook een eenzijdige typering, maar nog altijd doeltreffender.

Kamermuziek

Zwarts nadruk op de ‘roes’ en de ‘hartstocht’ van Wagners muziekdrama’s is ook eenzijdig: er bestaan geen andere opera’s waarin zoveel abstracte reflectie en zelfreflectie is ingebouwd. Menig hedendaags musicus spant zich in om Wagner zo doorzichtig en ingehouden als kamermuziek te laten klinken.

De biografische literatuur over Wagner die Zwart gebruikt, is verouderd. Hij leunt sterk op een biografie van Derek Watson uit 1980, die wel figureert in de noten, maar in het literatuuroverzicht ontbreekt. De unieke dagboeken van Cosima Wagner, waarin ze gedetailleerd verslag doet van haar dagelijks leven aan de zijde van het genie, bleven ongebruikt. Een zin als ‘De Ring wordt achterwaarts gecomponeerd’ is onhandig. Het libretto is achterwaarts geschreven, maar de muziek is voorwaarts gecomponeerd.

De muziek van Schönberg typeren als ‘emotieloos’ en ‘kil’ slaat de plank volledig mis, wat je verder ook van die muziek mag vinden. Je hoeft ook geen fervent aanhanger van de avant-garde te zijn om de vergelijking van het ontstaan van de modernistische muziek met de ontploffing van de atoombom over the top te vinden. ‘Er lijkt zich een verwoestende ramp in de muziek te hebben voltrokken, waarvan we nog altijd proberen te herstellen en de verdere proliferatie trachten in te dammen.’ In een voetnoot kondigt de auteur aan dat hij nog een boek wil schrijven over de muziek van de twintigste eeuw. Dat is misschien niet zo’n gelukkig idee.