Peugeot test Frans protectionisme

Onrust over de sluiting van een fabriek van PSA Peugeot-Citroën in Frankrijk is een politieke test voor president Hollande. De roep om protectionisme neemt toe, PSA zelf is tegen steun.

Werknemers van PSA kwamen gisteren in opstand nadat het bedrijf bekend maakte een fabriek te sluiten en 8.000 banen te schrappen. Vakbonden spraken van een „oorlogsverklaring”. Foto AFP

Schok. Schokgolf. Aardschok. Aardbeving. In de Franse politiek en media vielen gisteren dramatische woorden, nadat Frankrijks grootste autobouwer PSA Peugeot-Citroën bekend maakte 8.000 banen te zullen schrappen.

Een complete fabriek met 3.000 werknemers in Aulnay-sous-Bois, waar ooit de Citroën DS werd gemaakt, moet in 2014 sluiten.

Als een complete verrassing kon het nieuws van PSA niet komen. Al maanden zinspeelt PSA-baas Philippe Varin op een forse afslanking van het bedrijf. PSA kampt met dalende verkopen en dreigt, naar eigen zeggen, de eerste helft van dit jaar 700 miljoen euro verlies te draaien.

Dat Frankrijk zo is geschrokken, komt niet alleen door de schaal van het banenverlies. De ingreep van de PSA-leiding bevestigt de in Frankrijk diepgewortelde angst dat de industriële productie langzaam maar zeker door buitenlandse concurrentie verdwijnt uit het land. Klappen in de auto-industrie, die trotse merken voortbracht en waarin bijna één op de tien Fransen economisch van afhankelijk is, liggen extra gevoelig.

Voor president François Hollande betekenen de ontslagen bij PSA de eerste zware politieke test. De socialist beloofde in de campagne juist over het tegenovergestelde van wat nu bij PSA gebeurt: ‘herindustrialisering’. Hollande benoemde een speciale minister belast met ‘redressement productif’ – herstel van de productie.

Deze minister, de uiterst linkse Arnaud Montebourg, pleitte tijdens de socialistische voorverkiezingen begin dit jaar voor het terugdraaien van mondialisering (‘demondialisering’), onder meer middels protectionisme tegen lagelonenlanden.

Montebourg, gisteren de belangrijkste gast bij het Franse tv-journaal, zei dat hij de ontslagen „niet accepteert”. „De hele natie is in schok (...) De regering staat aan de zijde van de van de werknemers.” PSA moet maar eens uitleggen, vindt Montebourg, waarom de banen in Frankrijk verdwijnen en „niet elders in Europa”. PSA produceert onder meer in Spanje, Slowakije en Tsjechië.

PSA is een particulier bedrijf, waarin de achtste generatie van de familie Peugeot nog een aandeel heeft van zo’n 30 procent. Maar de regering denkt voorwaarden te kunnen stellen aan de PSA-leiding omdat die de afgelopen jaren zo’n 4 miljard euro aan gunstige staatsleningen ontving. Nu vragen Franse politici zich af waarom er dan toch 8.000 banen verdwijnen. Premier Jean-Marc Ayrault zei dat PSA „alle Franse productieplaatsen” open moet houden.

De mogelijkheden voor de staat om de banen te redden zijn beperkt. Staatssteun is aan strenge Europese regels gebonden en de regering-Ayrault kan geen miljarden extra uitgeven als zij zich aan de Europese begrotingsregels wil houden.

Toch staat Hollande onder grote druk om iets te doen. Morgen, op de nationale feestdag quatorze juillet, geeft hij zijn eerste grote tv-interview. Hij zal nu de indruk moeten wekken dat intervenieert bij PSA. Van de staat, en zeker van de chef d’état, verwachten Franse kiezers bescherming. Hollande’s voorganger Nicolas Sarkozy reisde dikwijls naar bedrijven om zelf ‘reddingen’ af te kondigen, ook als de staat er weinig mee te maken had.

Een reddingoperatie bij PSA is wat de vakbonden nu verwachten van Hollande, de socialist op wie veel arbeiders hebben gestemd. Gisteren scandeerden werknemers van de fabriek in Aulnay-sous-Bois Hollandes eigen campagneslogan le changement, c’est maintenant (‘de verandering is nu’), om eraan toe te voegen: „geen enkele fabriek mag sluiten”.

Diverse vakbondsleiders verklaarden de „oorlog” aan de directie van PSA en aan de familie Peugeot, die ze ervan beschuldigden zich te hebben verrijkt met dividend.

Bijkomend probleem voor Hollande is dat PSA-directeur Varin huiverig is voor staatsbemoeienis. Hij wees gisteren nieuwe overheidsfinanciering van de hand. „Geld steken in de PSA-groep gaat de fabrieken niet vullen.” Het bedrijf kampt met structurele problemen. PSA is zich, anders dan Duitse merken als Volkswagen, vooral blijven richten op de Europese markt. Juist in het zwaar door de crisis getroffen zuiden van Europa doen Peugeot en Citroën het traditioneel goed. In het eerste kwartaal van dit jaar viel de verkoop van PSA in Europa terug met 13 procent.

De concurrentie uit Duitsland en Azië is sterk. Vorige week nog werd bekend dat het marktaandeel van PSA in Europa in de eerste helft van dit jaar terug is gelopen van 14 naar 13 procent. Tekenend voor het succes van de Duitse concurrentie is dat BMW de productiecapaciteit juist uitbreidt. De grote vraag naar BMW-merk Mini is reden voor het Beierse bedrijf om te gaan produceren bij NedCar in het Nederlandse Born.

Anders dan concurrent Renault, dat sinds 1999 samenwerkt met het Japanse Nissan, heeft PSA lang gewacht met het zoeken van een buitenlandse partner. Begin dit jaar pas sloot PSA een alliantie met het Amerikaanse General Motors – een bedrijf dat in 2009 moest worden gered door de Amerikaanse regering.