Niet goed genoeg voor het leger, wel om vuile vloeren te vegen

Israël discussieert over dienstplicht voor ultra-orthodoxe joden. Maar nu klinkt dat ook Israëlische Palestijnen moeten dienen. Sociale dienstplicht dan, niet in het leger.

Studenten met keppeltjes en studenten met hoofddoekjes frequenteren de cafetaria bij de Hebreeuwse Universiteit in geannexeerd Oost-Jeruzalem. Hier lopen joden en Palestijnen met een Israëlisch paspoort, ook ‘Arabische Israëliërs’ genoemd, dwars door elkaar.

Eigenlijk langs elkaar. Ze delen zelden een tafeltje. Masterstudent Hadas Stienlauf (28) drinkt koffie met drie joodse vriendinnen. Het enige contact met haar Palestijnse landgenoten is „als ze me bedienen”. Dat blijft afstandelijk, zegt ze. „Het is niet meer dan de erkenning dan de ander bestaat.”

In de collegezalen spreekt Steinlauf nooit Palestijnse medestudenten aan. „Ik denk toch ergens vanbinnen dat zij denken dat we eigenlijk hun land hebben gestolen en dat terug moeten geven.”

Dat denkt Wissam Asly zeker. De mollige Palestijnse accountant (34) drinkt zijn koffie drie tafeltjes verderop. Hij komt uit het Palestijnse stadje Sakhnin, in het noorden van Israël, waarvan de staat in 1976 duizenden hectare land onteigende. „Altijd als ik langs de nabijgelegen joodse gemeente rijd, denk ik daaraan”, zegt Asly. „Hoe kunnen wij nou een normale relatie met de staat Israël hebben?”

Die vraag is inzet van een heftig debat dat momenteel in de Israëlische politiek wordt gevoerd. Een besluit van het Hooggerechtshof en een steeds luidere roep uit de samenleving om de lasten eerlijker te verdelen dwingt de Israëlische regering tot aanpassing van de huidige dienstplichtwet, die op 1 augustus verloopt. Zestig jaar lang waren de ultra-orthodoxe joden en de Palestijnen uitgezonderd.

De discussie ging eerst alleen over de ultra-orthodoxe 10 procent van de bevolking, maar de laatste weken klinkt ook steeds vaker dat de 20 procent Israëlische Palestijnen moeten dienen – zij het niet in het leger, maar als hulp in gemeentelijke instellingen. Iedereen snapt dat zij niet kunnen meewerken aan de Israëlische bezetting van de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever en in Gaza.

Ahmad Tibi, die medicijnen studeerde aan de Hebreeuwse Universiteit en nu voor de Arabische partij Taal in het Israëlische parlement zit, zat in een plastic tuinstoel op zijn terras in Oost-Jeruzalem – gebedsketting in de ene, iPad in de andere hand – toen premier Benjamin Netanyahu hem belde.

Die zei, aldus Tibi: ‘Ahmad, het land verandert, en ik zeg je, net als ik de ultra-orthodoxen zeg: iedereen moet helpen de lasten te dragen.’ Tibi noemde de premier bij zijn koosnaam toen hij antwoordde: ‘Bibi, je bent premier van alle burgers. Je moet eerst zorgen dat iedereen gelijk wordt behandeld voor je de lasten eerlijk kunt verdelen. Zolang wij worden gediscrimineerd, kun je ons niet om een gunst komen vragen.’

Vanuit dezelfde tuinstoel legt Tibi uit: „We horen opeens: je moet de staat dienen, in ruil daarvoor krijg je voorzieningen. Dat is in strijd met de regels van de democratie. Dienstplicht is geen voorwaarde voor voorzieningen, rechten of gelijkheid. De staat moet mij dienen, omdat ik haar burger ben. Maar ook omdat ik haar slachtoffer ben. Mijn vaders land is afgepakt bij de stichting in 1948. Mijn familie is naar Gaza en Koeweit verjaagd.”

Van de Palestijnen die Israëlisch staatsburgerschap kregen, en hun nageslacht, leeft meer dan de helft onder de armoedegrens. De werkloosheid is hoog. Voorstanders van dienstplicht voor deze Palestijnse Israëliërs zeggen dat ze door civiele dienstplicht beter zullen integreren.

Goed, zegt Tibi, „laten we voor de aardigheid hun logica eens volgen. In plaats van dat onze jeugd naar de universiteit gaat, moeten ze vloeren van scholen vegen. En de ouderen die daar al jaren de vloer vegen, komen op straat te staan.”

Civiele dienstplicht zou de werkloosheid volgens Tibi alleen maar vergroten. Hij gelooft niet dat er betere voorzieningen tegenover staan.

Het bewijs, zegt Tibi, leveren de Bedoeïenen en de druzen; Arabieren die vaak vrijwillig in het Israëlische leger dienen, mede omdat het hun kansen op de arbeidsmarkt vergroot. „In hun dorpen is de infrastructuur beroerd. Soms is er zelfs geen drinkwater. Je merkt het meteen als je een Arabisch dorp binnenrijdt, je auto begint te stuiteren, zo slecht zijn de wegen. De overheid discrimineert.”

Accountant Asly merkte de discriminatie van dichtbij toen hij een huis wilde huren vlakbij de universiteit. Twintig keer werd hij op basis van zijn naam afgewezen. „Ik word gezien als een vijfderangsburger”, zegt Asly in de cafetaria. „Als ze me al zien staan.”

Masterstudent Stienlauf weet dat de discriminatie op de werkvloer groot is. Zij denkt nooit een Palestijn te zullen inhuren. „Ook omdat ze de reputatie hebben een beetje lui te zijn.”

Om een andere reden wil ze Palestijnse Israëliërs niet in het leger hebben. „We vertrouwen hen niet.”

Stienlauf vindt dat de Arabieren wel civiele dienstplicht moeten krijgen. „Ze moeten iets bijdragen aan de staat, omdat ze ook de voordelen ervan ervaren, zoals veiligheid. Het is lullig om te zeggen: je bent niet goed genoeg voor het leger, je mag de vloer te vegen – maar zo is het wel.”