Column

Het grote niets

Z elden eerder kwam zo demonstratief tot uiting dat topsport het individu heeft verlaten. Chris Froome herleid tot foetus van een systeemdenken. Hij knalde Bradley Wiggins uit het wiel en werd vervolgens teruggeroepen door een shirtmicrofoontje.

Een microfoontje op een col buiten categorie.

Je zag zijn ogen sterven in het onherbergzame landschap. Met fluimen van woede als laatste vrienden. De benen waren subliem, maar weerstand bieden aan het ‘oortje’ was niet mogelijk. Het onding sloeg genadeloos de bodem uit een aangekondigd heldenleven.

Teamorders.

De renner van Sky zal er zijn leven lang spijt van hebben. Deze vernedering eindigt ooit in psychiatrie. Eens zo ver bestaat wielerteam Sky allang niet meer. Dan heeft ook het offer geen vader meer.

Kopmanschap is delicaat in wielerploegen.

Meestal is het een emotionele keuze, tenzij er een onomstreden kampioen in huis is. Zo niet wordt het speculeren op een worp naar het quasi erotische Volksempfinden van scrotum en anus.

Virtuoze haarlok: altijd goed.

De gedoodverfde kopmannen van het Nederlandse cyclisme waren in deze Tour nauwelijks bij te houden. Robert Gesink en Bauke Mollema voor Rabobank, Koen de Kort voor Argos-Shimano, Wout Poels en Rob Ruijgh voor Vacansoleil. Steven Kruijswijk ook nog als koninklijke reserve.

Wat een afgang.

De uit kreupelhout opgetrokken Laurens ten Dam probeerde het nog enigszins goed te maken, maar zijn hoofd is te subtiel voor de Beulse van Pavel Kohout. Zijn ballet van grimassen was anders wel mooi. Gesink en Mollema hadden niet eens meer een grimas die nog enige verve bracht in het abandon. Zij lieten de laatste woorden uit gemummificeerde lijken vallen.

Boekhouders van tegenslag en verdriet.

Rabobank: zouden we er niet een scheldwoord van maken?

Wat vooral irriteert zijn de voorbarige pretenties. Het parmantige loeien bij voorschot van succes. Wellustige monopoliehouders van triomf. Ook nog miserabel nationalistisch getint. Alsof Raborenners de laatste zonen van het land waren.

Het land.

Ik heb het nog niet gezien in de Tour. Rabo, Argos, Vacansoleil: denk aan eskimo’s op een slee en je voelt evenveel hartstocht, grinta en levenslust als bij de uitgezonden Nederlandse renners. Het falen van vooral Rabobank wekt niet eens nog een zweem van medelijden op. Het verval is structureel, de teleurstelling navenant.

Waaiers van ongeleide projectielen.

Met enig fatsoen zou Rabobank zich nu terugtrekken uit het wielrennen. Je kan niet jarenlang symbool blijven van valse hoop. Conform de mores van het hedendaagse bankwezen. Met de perverse dynamiek van voorafgaand oppooknationalisme, terwijl niet eens een Achterhoeker zich als geboren klimmer aangesproken voelt.

Rabobank: het grote niets.

Dat is het ook met Vacansoleil en Argos, maar hun Oranjepretenties waren niet zo kerstbalachtig uitgestald. De Rabo’s daarentegen presenteerden zich per megafoon als tricolore boegbeeld. Het eindigde gisteren in gekerm van Robert Gesink en Bauke Mollema.

Schaafwonden en ander ongemak als excuus.

Het mag dan zo zijn dat Mollema met een gehalveerd lichaam rondreed, maar is dat juist niet de schoonheid van de Tour? Dan pas maak je geschiedenis. Ik herinner me de betreurde Portugese wielrenner Joachim Agostino: een ruïne op de fiets, dag en nacht gebutst en gehavend. Maar iedereen hield van hem.

Ik stel me weleens de vraag: hoe kun je als buitenstaander nog van Gesink houden? Hij zegt niets, hij lacht niet, hij bloesemt van geen kanten. Dan moet je wel alert voorop rijden.

Robert Gesink, vrees ik, is zoals Rabobank, en omgekeerd: er zit geen hart op de fiets. Toch niet dat je het ziet.

Meer pinautomaat dan droom.