Een slanke danser in het licht

Hooft en Gorter zijn onze grootste liefdesdichters, zo blijkt maar weer eens uit de nieuwe volledige editie van de poëzie van P.C. Hooft. Hij schreef regels met, om Komrij aan te halen, een hoog door-het-hoofd- spoken-gehalte.

Het is zwak gesteld met de Nederlandse klassieken. Wie werk van Bredero, Focquenbroch, Constantijn Huygens, Jan Luyken of Vondel in de boekenkast wil moet naar het antiquariaat. Er is geen Nederlandse Pléiade-reeks. Series die in ons land een soortgelijke ambitie als het Franse pantheon uitstraalden hadden een kort bestaan. De Nederlandse Klassieken, de Deltareeks? De restanten dwalen op de planken van De Slegte.

In zo’n klimaat getuigt het van moed (of overmoed?) om een nieuwe editie van het werk van een zeventiende-eeuwse dichter uit te geven. Johan Koppenol en Ton van Strien durfden het aan, en Athenaeum - Polak & Van Gennep gaf haar uit. Een kloeke band herbergt nu het poëtische oeuvre van P.C. Hooft (1581-1647). Met notenschrift, want het gros van zijn lyriek is ook liedtekst. Met achtergrondinformatie, woordverklaringen, verantwoordingen en een register op beginregels. En met een cd waarop eenentwintig van Hoofts gedichten door Karin van der Poel en Marcel Beekman gezongen worden.

Het is een voorbeeldige uitgave. De samenstellers baseerden hun tekstredactie op de in 1994 verschenen editie van Hoofts lyrische poëzie. De belangrijkste wijziging die ze daarbij toepasten is dat ze de oorspronkelijke spelling en interpunctie moderniseerden. Dat maakt het werk voor hedendaagse lezers een stuk toegankelijker, al zijn de woordverklaringen bij elk van de 263 gedichten allerminst overbodig.

Voorbeeldig ook zijn de hoofdstukken over ‘De dichter Hooft’ en ‘Hooft en de muziek’. Toch rijzen daarbij vragen. Zeker wanneer in het biografische kapittel de waarderingsgeschiedenis van Hoofts werk ter sprake komt. In de poëzie-uitgave van 1994 typeerden Tuynman en Van der Stroom Hooft als ‘Een niet groot, maar wel hoogstaand en steeds beminnelijk dichter.’ De reactie van Koppenol en Van Strien luidt dan: ‘dat klinkt aardig genoeg, maar toch niet als een voordracht voor de grote literaire prijs die naar hem is genoemd.’ Andere literatuurwetenschappers blijken nog zuiniger. Iedereen die Hooft leert kennen, menen zij, geniet van zijn taal, maar op de vraag wat hij ons nog te zeggen heeft blijft het stil.

Waarom zou je van zo’n dichter nu nog het werk willen uitgeven? Dat maken Koppenol en Van Strien in de volgende pagina’s moeizaam duidelijk. Die moeizaamheid is zorgvuldig, maar verbaast me wel. Even leentjebuur spelen bij moderne dichters had het probleem opgelost. Gerrit Komrij en René Puthaar werden niet gehinderd door literatuurwetenschappelijke remmingen. Komrij noemde Hooft in zijn essaybundel In liefde bloeyende (1998) een bijzonder groot dichter, bij wie alles neerkomt ‘op dans en licht, op springerigheid en ruimte.’ Puthaar deed daar een schepje bovenop in het nawoord van Zo sprak mijn lief mij toe, een keuze uit de mooiste liefdesgedichten van P.C. Hooft (2004). ‘Zonder Hooft, aan wie de schitteringen van het licht in Italië waren geopenbaard,’ schreef Puthaar, ‘had de poëzie in het Nederlands geen vleugels gekregen.’ En dan typeert hij Hooft als ‘Een slanke, misschien wat feminiene, elegante dichter, de ongrijpbaar lichte tegenspeler van allen die van geronk houden, van masculiene zompigheid en dikmakerij, van poëzie met kloten. Een tegenspeler ook van de zoekers, de tobbers en de diepzinnigen. Een danser is hij en zijn zangerige woorden blijven vederlicht in beweging boven de Hollandse klei.’

Dat maakt nieuwsgierig. En niet ten overvloede, want de nieuwe uitgave is een schatkist vol klankverrassingen. Uit eigen ervaring weet ik dat die verrassingen herhaalbaar zijn. Het volgende couplet las ik in 1966 voor het eerst, en bij herlezing word ik nog altijd overrompeld door deze regels met, aldus Komrij, zo’n hoog door-het-hoofd-spoken-gehalte.

Amaril, de deken zacht

van de nacht,

met zijn blauwe wolkenbuien,

maakt de starren sluimerblind

en de wind

zoekt de maan in slaap te suien.

Dit lied moet gezongen worden op de melodie van ‘Bella ninfa fugitiva…’, maar bij de eerste kennismaking al klonken eigen tonen door mijn hoofd. En hetzelfde gebeurde bij de eerste lezing van ‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief,’ Zo sprak mijn lief mij toe,/ dewijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.’ Of bij de ‘Velddeuntjes’:

Rozemond die lag en sliep,

blies violen uit haar lippen.

Pan die zag ’t en ijlings liep

zoetjes op haar borstje knippen.

Mits dat hij zijn duim liet slippen

viel een moorbei van het lof,

die recht op haar bozem mikte.

Dies hij riep, want hij verschrikte,

‘Och, och, och, de speen is of!’

Hooft en Gorter zijn onze grote liefdesdichters. Voer voor biografen is dat Hooft zich in zijn erotische poëzie tot verschillende vrouwen richtte. Daarbij hanteerde hij lyrische roepnamen zoals DIA (voor Ida Quekels), Mithra Granida (voor Christina van Erp, met wie hij trouwde in 1610), Arbele (voor Susanna van Baerle, later echtgenote van Huygens) en, zonder omhaal, Leonoor (voor zijn tweede echtgenote Leonora Hellemans).

Voor deze liefdesgedichten geldt bovenal dat Hooft ze met muziek in zijn achterhoofd geschreven zal hebben. Anders dan zijn vriend Constantijn Huygens was Hooft niet muzikaal geschoold. Hij bespeelde geen instrument en zong niet voor publiek. Voor de vertolking van zijn eigen liederen en die van anderen deed hij een beroep op Tesselschade Roemers en Francisca Duarte. Hij gebruikte hun zangkunst, aldus Natascha Veldhorst in haar beschouwing over ‘Hooft en de muziek’, als lokmiddel om in zijn Muiderslot een groter gezelschap bijeen te brengen. ‘Op dit paar kelen heb ik zes paar oren op het middagmaal genodigd’, schreef bij in augustus 1638 in een brief. Ook Leonora Hellemans kon zingen.

Hoe Hoofts teksten uit een zangkeel zouden kunnen klinken is nu beluisterbaar op de cd bij De gedichten. ‘Kunnen klinken’ schrijf ik, want wat ik mijzelf voorstel van zeventiende-eeuwse gezelschapszang verschilt nogal van de interpretatie die onder artistieke leiding van Natascha Veldhorst is uitgevoerd. Mijn voorstelling is vooral visueel gebaseerd. Er zijn tientallen afbeeldingen van zangers en zanggroepen in de Gouden Eeuw. Van voddige straatzangers tot rijk gekostumeerde rederijkers. Zoals Ostades ets van rederijkers in een raam (1667) suggereren die afbeeldingen allerminst de ingehouden, slepende klanken die Hooft op de cd zijn toegedicht. Het mag vrolijker, losser, lijkt mij. Ook waar Marcel Beekman en Karin van der Poel, zoals in ‘Als Jan Sijbrech zou belezen’ en ‘Mingod streng van heerschappij’, een volkse versnelling betrachten, blijven ze mij te dicht bij de noten. In mijn herinnering deed de Studio der frühen Musik (1960-1980) het aardser.

Maar een tevreden blijdschap overheerst. Na de volledige uitgave van Leendertz en Stoett (1899-1900) en de lyrische poëzie-editie van Tuynman en Van der Stroom (1994) is de complete lyriek van P.C. Hooft nu voor iedereen bereikbaar. ‘Een dergelijk oeuvre’, schrijven de samenstellers, ‘is per definitie niet ‘tijdloos’. Er is een stem uit een inmiddels ver verleden aan het woord. Maar het is wel een herkenbare stem…’ Wie de barrières van de eigentijdse poëzie overwinnen kon, zal geen moeite hebben met de taaltuin van ‘het hoofd’ van onze zeventiende-eeuwse dichters.