De verloren generatie

Kenny van Hummel was op tijd binnen. Dat dan weer wel. Maar verder was het gisteren bepaald geen dag om met je oranje onderbroek over je hoofd de huphollandhuppolonaise te lopen. Eerder een dag om je paspoort te verstoppen en een donker hoekje op te zoeken om je er eens flink te gaan zitten schamen.

Bauke Mollema: abandon. Robbie Ruijgh: abandon. Lieuwe Westra: abandon. Robert Gesink: abandon. En we zijn pas halverwege. Er schijnt nog een derde Nederlandse ploeg mee te doen, maar de jongens van Argos kopen een kaartje voor de langzaamste bus.

Tuurlijk, de Nederlandse renners hebben te veel asfalt gekust. Ze hangen aan elkaar van Hansaplast, en met kilo’s pleisterwerk aan je lijf kun je de Tour niet fietsen. Maar er is nog een andere reden waarom we in deze Tour voor spek en bonen meedoen: we zijn een generatie kwijt.

De Tour is – de uitzondering op de regel daargelaten – een koers voor volgroeide renners. Voor mannen met ervaring, hardheid en wedstrijdkilometers. Wielrenners zijn op hun best tussen hun 28ste en hun 33ste. De gemiddelde leeftijd van de eerste 25 van het algemeen klassement van deze Tour schommelt niet voor niets net boven de dertig.

Maar bij ons is er iets misgegaan. De generatie Nederlandse wielrenners die nu de kolen uit het vuur zou moeten halen, is zoekgeraakt. Ze zijn in de loop der jaren verdwenen, één voor één. Waar is Remmert Wielinga? Theo Eltink? Mathieu Heijboer? Michiel Elijzen? Niels Scheuneman? En áls ze het Peloton van de Grote Jongens al hebben gehaald, dan komen ze niet veel verder dan een rol als knecht. Bram Tankink, Lautje Ten Dam, Joost Posthuma, Pieter Weening, Johnny Hoogerland en Lieuwe Westra zijn geweldige wielrenners, maar hun buitenlandse generatiegenoten als Brad Wiggins, Boem Boem Boonen en Fab Cancellara zijn van een andere orde.

In Nederland moet het van de jonkies komen. Robert Gesink, Bauke Mollema, Woutje Poels, Steven Kruijswijk, Lars Boom, Wilco Kelderman – allemaal zijn ze jonger dan 27. Ze hebben niet of nauwelijks de tijd gekregen om te leren, om te groeien, om te rijpen in de schaduw. In plaats daarvan zijn ze meteen in het diepe gegooid. Robert Gesink heeft nog nooit bidons hoeven te halen, hij heeft nog nooit in het begin van de etappe mee hoeven te springen – van hem werd en wordt altijd verwacht dat hij in de top van het klassement meedoet.

Met die jonge ventjes is het alles of niks. Als alles meezit kunnen ze vliegen, maar als het tegenzit – dan zit het ook echt tegen. Maar ze kunnen zich geen mindere dagen of slechte koersen permitteren, want de generatie boven ze is niet thuis.

Ik ben er zelf eentje van de verloren generatie. Ik ben 31, ik heb mezelf in honderd bochten gewrongen om iets van mijn wielercarrière te maken – maar veel meer dan prut met peren is het niet geworden. Ik ben kwijtgeraakt, net als zoveel van mijn generatiegenoten met mij. Met alle respect voor de Nederlandse eindtwintigers en begindertigers die wél verdienstelijk in het Tourpeloton rondrijden, maar over de hele breedte genomen is er maar één conclusie mogelijk.

We hebben gefaald. En niet zo’n beetje ook.