De stad als een woekerend organisme

Karin van Dam maakte in het Haagse Gemeentemuseum met ballonnen, ijzerdraad en slangen een stad met hangende torens. Een architectonische utopie.

Het boek dat Karin van Dam maakte over haar werk ter gelegenheid van haar tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum opent met een fotoreeks van Aziatische steden, getiteld Wandelingen. Van Dam fotografeerde de toren van een tempel die in de steigers staat, ingesponnen in een web van houten planken en ladders. Van bovenaf fotografeerde ze stegen die overdekt zijn met gestreepte lappen en rode lampionnen. Ook maakte ze verschillende foto’s van elektriciteitsdraden, hangend in losse bogen dwars over de straat, of juist strak gespannen in parallelle lijnen, en elkaar kruisend bij elektriciteitspalen, met dikke trossen op de knooppunten.

Van Dam (Eindhoven, 1959) ziet patronen, structuren, netwerken. Zij ziet eerder de verbindingen tussen de dingen dan de dingen zelf. Die verbindingen, die soms zichtbaar en soms onzichtbaar zijn, zoals metrolijnen en ondergrondse leidingen, vormen in haar beleving de werkelijke stad.

De roman De onzichtbare steden van Italo Calvino is een belangrijke bron van inspiratie voor Van Dam, zegt zij in een interview in haar boek. Zoals het verhaal over Isaura, een stad met 1.000 diepe waterputten. Of Esilia, een stad „waar de bewoners draden tussen de hoeken van de huizen spannen om de verhoudingen weer te geven die de basis vormen van het leven in de stad”.

De onzichtbare steden van Calvino zijn fantasiesteden. Dat geldt ook voor de ruimtelijke installaties die Van Dam bouwt en voor haar kleinere sculpturale werken. Het zijn fantasiesteden, of modellen daarvoor, waar je als bezoeker doorheen kunt dwalen. Het fantasierijke zit hem in het utopische, futuristische karakter van de gewichtsloze bouwsels, met dunne membranen en hightech-glanzende slangen en buizen.

In Den Haag bouwde Van Dam de installatie Born in a Balloon, een nieuwe aflevering van haar project Travelling Cities. De zaal is gevuld met grote, glanzende, zwarte ballonnen die aan ijzerdraden van het plafond hangen, in gebreide netten van zwart mohair. Heel het werk is zwart, afgezien van rode slangen van pvc die opgerold op de grond liggen. Bamboestokken sperren de netten rond de ballonnen open zodat een soort hangende torens zijn ontstaan. Alle elementen van de installatie zijn door middel van de ijzerdraden met elkaar verbonden tot één groot geheel, zodat een lichte aanraking de installatie zachtjes op en neer doet bewegen, als een kwetsbaar en tegelijk veerkrachtig bouwwerk.

Van Dam werkt met industriële materialen als rubber, plastic, pvc en voorwerpen als schokdempers, drainagepijpen en stootbanden, als het zo uitkomt gecombineerd met huiselijker elementen als deegrollers en wol. Sloopmaterialen, dingen die een eerder leven hebben gehad, gebruikt zij niet. In Den Haag hebben de uiteenlopende zwarte texturen, glanzend, mat, geribbeld, harig, een sterk zinnelijk effect.

In Tokio, zo vertelt Van Dam in bovengenoemd interview, staan vanwege de aardbevingen veel gebouwen op spiraalvormige schokdempers. Ze kunnen op en neer en heen en weer bewegen. Hoe technisch geavanceerd Tokio ook is, de elektrische bedradingen kunnen niet onder de grond worden gelegd maar hangen op de ouderwetse manier in de lucht. In Den Haag zijn ook een paar kleine werken te zien, een soort wandsculpturen of reliëfs. Ze zijn gemaakt volgens dezelfde principes als de installatie, maar zijn nog brozer, ze hangen met nietjes, touwtjes en paperclips aan elkaar.

Tempel van Tokio moet zo te zien geïnspireerd zijn op de tempeltoren die in de steigers staat, het is een zwarte schokdemper met een kraag van wol op een bouwsel van piepschuim. Travelling City is opgebouwd rond het dunne houten frame van een papieren parasol. Binnenplaats voor de gedachten van de Stad, een eerder werk (1995) gedaan in zwart pastelkrijt op papier, ziet eruit als een schaalmodel voor een Piranesi-achtige stad. Met nietjes zijn er driedimensionale elementen aan bevestigd, net als bij Timbaaltje, dat ook met maar enkele stukjes papier een grote ruimtelijkheid oproept. Het zijn prachtige objecten die wat betreft de zeggingskracht niet onderdoen voor de grote installatie.

De kleine werken zien eruit als schetsen en modellen voor projecten die op grote schaal uitgevoerd zouden kunnen worden. Wat dit betreft sluit Van Dam aan bij een lange traditie van utopische architectuurprojecten, van 18de-eeuwse Franse architecten als Ledoux en Boullée tot het beroemde project New Babylon van de Nederlander Constant uit de jaren zestig van de vorige eeuw.

Er is ook een belangrijk verschil. De modellen van Van Dam zijn, in tegenstelling tot de vroegere architecturale utopieën, niet gebaseerd op een ideologie, bijvoorbeeld de ideologie van de verheffing van de arbeider door middel van een strenge symmetrische monumentaliteit, zoals bij Ledoux, of op een maatschappelijk vooruitgangsideaal van gelijkheid en bevrijding van het individu, zoals bij Constant. Hoe fantasievol en inventief haar werk ook mag zijn, het verwijst toch terug naar de dagelijkse, ongeordende, chaotische werkelijkheid. Ze laten zien dat de stad een levend organisme is, dat bestaat uit verbindingen en energiestromen, een organisme dat woekert, dat voortdurend in verval is en weer herleeft.

Karin van Dam: Born in a balloon. Gemeentemuseum, Den Haag. T/m 23/9.