De Bovenbazen (51)

Hij liep gebogen naar zijn boomstam terug terwijl hij er aan toevoegde: ‘Als u zegt dat de woestijn goed is, dan is hij natuurlijk goed. Wat is een dwerg tegenover een reus?’

‘Zo moet je het niet zien,’ zei heer Ollie zwakjes. ‘Ik bedoel… eh… ach, wat bedoel ik eigenlijk?’

Hij zuchtte en stond op om weg te gaan.

‘Komt u niet even binnen?’ vroeg het ventje. ‘Ik heb een futvoeder gemaakt die eeuwig kan draaien. Het is maar dom werk, maar als u hem wilt zien…’

‘Ach nee,’ zei heer Bommel, ‘een andere keer graag. Mijn hoofd staat er nu niet naar.’

Hij slofte groetend heen en liet het mannetje tussen de wortels achter.

‘Ach ja,’ prevelde het mistroostig, ‘wat is zo’n knutsel voor de reus Bommel? Ik kan beter gaan verhuizen…’

Op dat moment kwam Tom Poes vanachter de boom te voorschijn.

‘Dag Kwetal,’ zei hij, ‘mag ik het eens zien? Toevallig hoorde ik net wat je tegen heer Ollie zei.’

De grijsaard leefde op.

‘Kom binnen,’ riep hij, terwijl hij zich liet zakken. ‘Denk om het trapje en de natelaar hangt uit elkander. Dat komt van de verhuizing. Maar de futvoeder werkt nog.’

‘Wat is het eigenlijk?’ vroeg Tom Poes, die voorzichtig naar beneden klom.

‘O, heel gewoon,’ verklaarde de ander. ‘Een eeuwig-beweger, je weet wel, die altijd blijft draaien. Kijk maar. Leuk, hè?’