'De architect is van zijn voetstuk gestapt'

In het Jaarboek Architectuur inventariseert Kees van der Hoeven jaarlijks de belangrijkste nieuwe bouwwerken. Na vier jaar trekt hij een bedroevende conclusie: ‘Veel van de architectuur was modieus en heeft de tand des tijds niet doorstaan.’

ier jaar, van 2008 tot dit jaar, was architect Kees van der Hoeven (1951) redacteur van het Jaarboek Architectuur in Nederland, de jaarlijkse bestseller onder de Nederlandse architectuurboeken. Samen met de drie andere redactieleden maakte hij jaarlijks een tocht van een week langs een stuk of zestig gebouwen om daar voor het jaarboek de beste dertig uit te kiezen. Zijn essayistische bijdragen aan het jaarboek vielen op doordat hij hierin regelmatig pogingen deed de hedendaagse Nederlandse architectuur te inventariseren. Zo bevat het jaarboek 2009 zijn uitgebreide schema van alle stijlen en stromingen die de bonte Nederlandse architectuur tegenwoordig kent.

Dit jaar verscheen het Jaarboek Architectuur in Nederland voor de 25ste keer. Het 25-jarig bestaan valt samen met wat in een essay in het jaarboek de Gouden Eeuw van de Nederlandse architectuur wordt genoemd. In de periode 1987-2012 bloeide de Nederlandse bouwkunst als nooit tevoren en stond ze jarenlang internationaal bekend als de opwindendste architectuur ter wereld. Omstreeks het jaar 2000 geloofden verschillende architectuurcritici zelfs dat in Nederland de toekomst van de architectuur was te zien. In Nederland waren de globalisering en de ‘tweede moderniteit’ verder voortgeschreden dan elders. Hierdoor was ook de Nederlandse architectuur ‘moderner’ dan in de rest van de wereld, zo verklaarde bijvoorbeeld Bart Lootsma op neomarxistische wijze het hypermoderne karakter van de toenmalige Nederlandse architectuur in zijn boek Superdutch (2000).

Voor de 25ste editie van het jaarboek maakte Van der Hoeven een lijst van alle gebouwen die in de 25 jaarboeken waren opgenomen en verbond daaraan de oordelen matig, goed en zeer goed. „Dat deed ik voor eigen gebruik”, zegt hij in Wassenaar, waarhij eigenhandig een huis heeft gebouwd dat nu bijna klaar is. „Een aantal jaarboekredacteuren uit de afgelopen kwart eeuw was voor het jubileumboek gevraagd om de tien beste gebouwen uit de jaren 1987-2012 te noemen. En systematisch als ik ben heb ik ze toen maar allemaal genoteerd en van een persoonlijk oordeel voorzien.”

Toch is uw lijst ook voor de buitenwereld interessant. Slechts 40 van de 744 beste gebouwen uit de afgelopen 25 jaar vindt u zeer goed, 462 zijn goed en 242, oftewel meer dan eenderde, beoordeelt u als matig. Was de Gouden Eeuw eigenlijk wel van goud?

„Dat is moeilijk precies te zeggen. Dan moet je een vergelijkbare beoordeling van Duitse of Belgische architectuur maken en dat heb ik niet gedaan. Maar misschien is de Nederlandse architectuur inderdaad te veel opgehemeld. In ieder geval moet je nu concluderen dat er uiteindelijk maar enkele Nederlandse bureaus zoals OMA/Rem Koolhaas, MVRDV, UNStudio/Ben van Berkel, Erick van Egeraat en Mecanoo veel internationale aandacht hebben gekregen. En anderzijds moet je vaststellen dat veel van de architectuur die de jaarboeken heeft gehaald, gewoon modieus was en de tand des tijds niet heeft doorstaan.”

Van der Hoeven neemt de proef op de som en prikt op goed geluk twee gebouwen uit die lijst van matige gebouwen: een gezondheidscentrum van Koen van Velsen in Vlaardingen en een peutersoos van Marx & Steketee in Terheijden die achtereenvolgens in de jaarboeken van 1991 en 1996 zijn opgenomen. Vervolgens pakt hij de twee betreffende boeken en zoekt de gebouwen op. „Kijk, hier”, zegt hij, „het scheve gebouwtje van Van Velsen ziet er uit als een uit de hand gelopen grap: het zakt zogenaamd weg in de aarde – deconstructivisme was toen in de mode. Maar we moeten helaas nu al twintig jaar naar die grap kijken. En die peutersoos van Marx & Steketee is bric-à-brac, zo’n collage-achtig gebouw dat je halverwege de jaren negentig heel vaak zag. Het is dertien in een dozijn, een slap aftreksel van de paar goede collagegebouwen uit die tijd. Matig, kortom.”

Architect Michiel Riedijk vindt dat de Gouden Eeuw van de Nederlandse architectuur vooral een gevolg van propaganda was. De internationale roem zou te danken zijn aan de vele lovende, meestal gesubsidieerde lpublicaties over die architectuur. Heeft hij gelijk?

„Boeken als Superdutch van Bart Lootsma en The Artificial Landscape van Hans Ibelings en anderen hebben in hoge mate bijgedragen aan de reputatie van de Nederlandse architectuur in het buitenland. Superdutch werd zelfs een begrip, hoewel de architectenbureaus die in dit boek onder één noemer werden gepresenteerd, weinig met elkaar gemeen hebben. Het knoestige werk van Neutelings/Riedijk heeft zelfs helemaal niets te maken met de computerarchitectuur van Kas Oosterhuis. Ook het ongelooflijke aantal monografieën over Nederlandse bureaus dat de afgelopen kwarteeuw verscheen, heeft de indruk gewekt dat er in ons land iets heel bijzonders aan de hand was. Maar zeker achteraf begrijp ik niet waarom veel van die monografieën zo ruimhartig zijn gesubsidieerd. Er zijn met overheidsgeld veel te veel dikke, dure boeken over matige bureaus gemaakt. Ze konden ze in die tijd trouwens makkelijk zelf betalen.”

De redacteuren van het jaarboek hebben maar een half uur de tijd om een gebouw te beoordelen, heb ik wel eens berekend. Is dat niet veel te weinig?

„Haha, het is nog minder: het bezoek aan een gebouw duurt gemiddeld 25 minuten, heb ik vastgesteld. Maar daarvóór hebben we al uitgebreid de documentatie over de gebouwen doorgenomen. In september van elk jaar bekeek de redactie van het jaarboek zo’n 400 inzendingen. Daaruit werden, soms na lange discussies, 60 gebouwen gekozen en daar brachten we dan op verschillende autotochten door het land bezoeken aan.

„De redactieleden waren allemaal geoefende kijkers die aan de hand van vier duidelijke criteria een gebouw beoordelen: is de architectuur een antwoord op de opgave, wat is de ruimtelijke kwaliteit, hoe verhoudt het zich tot de omgeving en is het goed gemaakt? Er zijn ook trucjes om bepaalde aspecten te beoordelen. Je hoeft bijvoorbeeld maar even in je handen te klappen om te horen hoe de akoestiek is. Bovendien vullen de redactieleden elkaar aan: ik ben architect, een ander is kunsthistoricus en dan hadden we ook nog een projectontwikkelaar en een stedenbouwdeskundige in ons gezelschap. Zo was er voor elk aspect van de architectuur een specialist. Dan is een bezoek van 25 minuten genoeg.”

Er is maar één gebouw dat op alle lijstjes ‘10 beste gebouwen uit 1987-2012’ van de jaarboekredacteuren voorkomt: de Kunsthal van Rem Koolhaas in Rotterdam uit 1992. Grappig genoeg is dat een gebouw waarover bezoekers al sinds de opening klagen. Wat is er zo goed aan dat gebouw?

„Dat is een moeilijke vraag. Zeker, hij stond ook op mijn lijstje, al moet ik erbij zeggen dat ik er niet een heel grote bewonderaar van ben. Tja, ik heb er hem genoemd, omdat het een vreemd en weerbarstig gebouw is. Het is ruimtelijk interessant en veel is echt anders dan je gewend bent. De hellende vloeren, de scheve kolommen – je snapt op het eerste gezicht niet hoe het in elkaar zit. Het roept direct vragen op en ik denk dat een gebouw dat geen vragen oproept of dat je met één blik kunt doorgronden, beslist minder boeiend is.”

Wat is er veranderd in de Nederlandse architectuur in de afgelopen 25 jaar?

„Ik denk dat de architect van zijn voetstuk is gestapt. Of gehaald. Dertig jaar geleden waren architecten als Herman Hertzberger, Aldo van Eyck en Wim Quist echte autoriteiten. Ik durfde Quist niet eens aan te spreken als ik hem bij een lezing tegenkwam. Vooral Aldo van Eyck werd met ontzag benaderd. Alles wat hij maakte werd ook schitterend gevonden. Misschien op Rem Koolhaas na zijn architecten niet meer zo onbenaderbaar. Architectuur is niet meer iets voor een select gezelschap, maar lijkt, ook door het succes van woonbladen, IKEA en Jan des Bouvrie, steeds meer op voetbal: het is iets waar iedereen verstand van heeft. Architect is een gewoon beroep geworden.

„Een ander verschil met 25 jaar geleden is dat nu in de architectuur geldt: ‘anything goes’. Alles mag en alles kan tegenwoordig ook gemaakt worden. Toen ik mijn loopbaan begon, dacht je er niet aan om gevels met kunststof te bekleden of overbodige ornamentiek te gebruiken. Nu is dat heel gewoon. Maar misschien is de belangrijkste verandering wel dat historiserende architectuur niet meer taboe is. Neotraditionalisme is nu toch wel geaccepteerd. Sjoerd Soeters staat dit jaar bijvoorbeeld met twee grote, historiserende projecten – het stadhuis in Zaandam en het provinciehuis in Leeuwarden – in het jaarboek. Vooral dat laatste project, waarbij een heel monumentaal stadsblok bijna chirurgisch is hersteld en vernieuwd, is verbluffend knap. Maar hoe knap ook, 25 jaar geleden of zelfs 10 jaar geleden zou het nooit in het jaarboek zijn opgenomen.

„Ook het moralisme dat bij de verwerping van het neotraditionalisme hoort, is gesleten. Ze zijn er nog wel, hoor, modernistische architecten die niet in één club willen zitten met een architect die is gespecialiseerd in Palladiaanse bouwkunst. Maar dat zijn tegenwoordig uitzonderingen. Sterker nog: de meeste Nederlandse architecten zijn inmiddels zelf onbewust beïnvloed door het neotraditionalisme. We zijn met z’n allen veel vrijer dan een kwart eeuw geleden.”

Toen u in 2008 redacteur werd van het Jaarboek brak de financiële crisis uit, met grote gevolgen voor de bouw en architectuur. Wat gaat er veranderen?

„De crisis heeft dramatische gevolgen gehad: in vier jaar tijd is de architectenbranche gehalveerd. Eén ding is zeker: er wordt straks minder gebouwd dan voor de crisis. Gebouwen zullen ook slimmer, eenvoudiger, duurzamer en goedkoper worden. We zullen een soberheid zien die we nu nog helemaal niet kennen. En Carel Weebers Wilde Wonen gaat nu echt doorbreken. Zijn pleidooi uit 1997 tegen de ‘staatsarchitectuur’ van de woningcorporaties en voor het particulier opdrachtgeverschap is stap voor stap de harde werkelijkheid geworden. Mede door de crisis wordt zijn idee om iedereen die dat wil in de gelegenheid te stellen zijn eigen huis te bouwen, nu eindelijk algemene praktijk.De particuliere opdrachtgever wordt wellicht de belangrijkste opdrachtgever in de architectuur in de nabije toekomst. Dat heeft Weeber 15 jaar geleden al voorzien. Misschien is hij daarom wel de meest visionaire architect van de Gouden Eeuw.”