Column

De anonimiteit van een slachtkip

Toen de Franse koning Hendrik IV aan de macht kwam, in 1589, schijnt hij plechtig beloofd te hebben dat elke onderdaan in zijn koninkrijk één keer per week kip zou moeten kunnen eten. „In die tijd had je nog echte kippen”, laat Michel Houellebecq zijn hoofdpersoon verzuchten aan het eind van De wereld als markt en strijd. Kip, ‘het meest veelzijdige stukje vlees’, dat echter steeds minder met vlees te maken heeft. Die waterige drumsticks, het melige borstvlees, een karkas dat houtje-touwtje aan elkaar hangt.

Uit verontwaardiging hierover komt ongetwijfeld de breed gedragen steun voor biologisch vlees voort (vreemd woord eigenlijk, alsof vlees niet altijd ‘biologisch’ zou zijn). Steeds vaker ligt dit in de schappen en hechten mensen er waarde aan. Onlangs pleitten D66 en GroenLinks voor een zogeheten ‘vleestaks’ – een verhoogd belastingtarief op (niet-biologisch) vlees, waarmee de biologische landbouw vervolgens gestimuleerd zou kunnen worden.

Het is begrijpelijk dat we ons ongemakkelijk voelen bij de fabrieken waar varkens en kippen op mechanische wijze worden grootgebracht, louter voor consumptie. Tegelijkertijd blijft het ideaal van Hendrik IV om vlees voor iedereen beschikbaar en betaalbaar te laten zijn nastrevenswaardig. De behoefte aan kwantiteit is simpelweg onverenigbaar met de terechte zorg om dierenwelzijn en vleeskwaliteit.

Dit werd me duidelijk toen ik onlangs een biologische kippenboerderij bezocht: die van de ‘polderhoen’ van Sjoerd Kok in Lelystad. Al generaties loopt zijn familie te hoop tegen de modernisering. Totdat de Afsluitdijk er kwam, in 1932, was zijn grootvader visser op de Zuiderzee. Zijn vader hield legeenden – in vroeger tijd gangbaarder dan legkippen – en vertikte het zijn bedrijf te industrialiseren. De polderhoen van Kok komt oorspronkelijk van het Franse platteland. Hij levert aan een beperkt aantal poeliers in Nederland.

De boerderij heeft twaalf stallen. Opgedeeld in leeftijd zitten in elke stal kippen van hetzelfde aantal weken oud. Na elf weken zijn ze rijp voor de slacht. In de twaalfde stal kunnen de kippen die niet snel genoeg zijn gegroeid nog een weekje langer blijven. Ter vergelijking: supermarktkippen krijgen krachtvoer met enzymen, waardoor ze al in zes weken geslacht kunnen worden. (Ook na elf weken zijn de kippen overigens nog niet ‘geslachtsrijp’. De kip die we eten, kan dus evengoed een hen als een haantje zijn).

Op de boerderij van Sjoerd Kok hebben de kippen veel ruimte. Ze scharrelen wat af, en zo te zien hebben ze het reuze naar hun zin. Terwijl ik door de stallen sjokte, zag ik ze druk in de weer met elkaar of met de één of andere graankorrel. Vanwege deze lichaamsbeweging en de veel langzamere groei is het vlees van de polderhoen stevig en smaakvol. Je kunt op de botten kauwen. Het karkas blijft heel, ook al heb je er flink in zitten snijden.

Elke week komen op deze boerderij drieduizend kuikens binnen en gaan er ongeveer evenveel naar het slachthuis (afgezien van het beetje huisverkoop). Op de boerderij van Sjoerd Kok lopen in totaal ruim dertigduizend kippen rond. Op jaarbasis zo’n 150.000. Een stevige hoeveelheid, maar toch nog altijd een schijntje vergeleken met de totale vraag. Een beetje slachthuis slacht dagelijks tachtigduizend kippen – dat is één per seconde. In 2011 bedroeg het totale aantal in Nederland geslachte kippen 490 miljoen.

In geen enkele cultuur is eten iets wat uitsluitend in de behoefte aan voeding voorziet – het is altijd omgeven met rituelen en sociale elementen. Dat komt onder meer omdat wat je ontneemt aan de natuur op de één of andere manier moet worden goedgemaakt. Vandaar de traditie om te bidden voor, en te ‘danken’ na het eten. En om het eten te ‘vieren’ – bijvoorbeeld door een mooi gesprek.

In het dorp in Frankrijk waar mijn grootouders de helft van het jaar woonden, mestte buurman Pierrot elk jaar een varken vet in een krap, afgesloten hokje. Op quatorze juillet – als Pierrot niet al was overleden, was het morgen wederom zo gegaan – werd deze kanjer aan het spit geregen. Was dit varkentje beter af dan het gemiddelde dier in de bio-industrie? Ik betwijfel het. Toch had het individuele leven van dit beestje betekenis, terwijl het varken in de bio-industrie een abstract en volkomen vervangbaar product is.

Los van het dierenwelzijn is dit een ander element van de bio-industrie dat, naar ik vermoed, velen steekt. De anonieme, industriële productie, die bijdraagt aan de vervreemding van de moderne mens tot de natuur. Maar dat probleem is al helemaal onoplosbaar. En een biologisch lapje vlees uit de supermarkt is nauwelijks minder anoniem. Zelfs op de boerderij van Sjoerd Kok is grote anonimiteit een gegeven – dertigduizend kuikens, je kunt ze nooit allemaal leren kennen.