Paul Simon en de apartheid

Tijdens de VN-boycot tegen Zuid-Afrika vanwege apartheid, 26 jaar geleden, nam Paul Simon daar de plaat Graceland op. Een wereldhit, maar was het verantwoord? Een film zoekt het antwoord. Simon speelt 18 juli samen met Ladysmith Black Mambazo in Amsterdam

Het begon allemaal met het mysterieuze cassettebandje Gumboots: Accordion Jive Hits Vol. II. Vanaf de dag in 1984 dat Paul Simon dit bandje in handen kreeg, wilde de muzikant op zoek naar de oorsprong van die aanstekelijke Afrikaanse melodieën. Maar om met in Amerika volslagen onbekende acts als de ‘Boyoyo Boys’ of ‘General M.D. Shirinda and the Gaza Sisters’ in contact te komen, moest hij in de heetste dagen van de apartheid naar Zuid-Afrika afreizen.

„Ik wist precies wat zich daar politiek afspeelde”, zegt Simon aan het begin van Under African Skies, een nieuwe documentaire over de totstandkoming van zijn legendarische album Graceland. Maar niet veel later in de film erkent hij dat hij eigenlijk geen idee had. Met grote gevolgen.

Veertien miljoen exemplaren werden er van Graceland verkocht. Het album met klassiekers als You Can Call Me Al en Diamonds on the Soles of her Shoes wordt nog altijd geroemd als een van de beste van de jaren tachtig. Graceland zorgde en passant voor de internationale doorbraak van het Zuid-Afrikaanse a-capellamannenkoor Ladysmith Black Mambazo en maakte Afrikaanse invloeden in mainstream popmuziek salonfähig: zonder Graceland geen Vampire Weekend, bijvoorbeeld.

De documentaire mengt beelden van de studiosessies en de tour in de jaren tachtig met een reünie van Simon en de Zuid-Afrikaanse artiesten eind 2010 in Johannesburg. Rode draad blijft de vraag of Simon destijds wel naar Zuid-Afrika had moeten gaan. Het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) was in 1985 als ‘terroristische organisatie’ nog verboden, Nelson Mandela zat in het gevang en de aan het ANC gelieerde lobbygroep ‘Artists Against Apartheid’ moest niets van Simons bezoek hebben.

Strijdlied

De zwarte artiesten met wie hij samenwerkte, heeft Simon altijd gezegd, wilden hem dolgraag ontvangen. En tijdens de tour in 1987 waren de in politieke ballingschap levende Zuid-Afrikaanse supersterren Miriam Makeba en Hugh Masekela graag bereid met hem op te treden. Voor een eenmalig concert in de Zimbabweaanse hoofdstad Harare leerde Simon op aanraden van Makeba zelfs de tekst van Nkosi Sikelel’iAfrika, het officiële strijdlied van het ANC.

Met de apartheidsstaat had hij „niets te maken”, verklaarde Simon destijds in interviews. Maar voorafgaand aan zijn bezoek weigerde hij ook om zich publiekelijk tegen het apartheidsbewind uit te spreken. Een advies van Harry Belafonte om eerst het ANC te consulteren sloeg hij in de wind. Het bezoek was daarmee volgens critici een schending van de door de Verenigde Naties ingestelde sancties tegen Zuid-Afrika. In een poging het minderheidsregime te isoleren moest iedere „culturele, wetenschappelijke, sportieve en andere uitwisseling” vermeden worden.

„Simon had misschien geen verkeerde intenties”, zegt Dali Tambo, destijds vanuit Londen de drijvende kracht achter Artists Against Apartheid en nu succesvol zakenman te Johannesburg, „maar bij een boycot is het alles of niets. Je kunt niet voor één artiest een uitzondering maken.” Simon was „eigenwijs” en wist weinig van politiek, zegt de zoon van wijlen ANC-voorman O.R. Tambo door de telefoon. Dat blijkt als Simon in de film in herinnering roept dat ‘F.W. de Klerk’ nog president van Zuid-Afrika was. Niet de latere Nobelprijswinnaar, die het apartheidsstelsel afbrak, maar de rechtlijniger P.W. Botha was ten tijde van Simons komst nog aan de macht.

In een ietwat krampachtig gesprek proberen Simon en Tambo in de film duidelijk te maken wat hun positie was: Simon wilde slechts muziek maken, Tambo zegt dat een apolitieke stellingname destijds onmogelijk was: „Als je daarheen gaat word je deel van de pogingen van het apartheidsregime om internationale legitimiteit te krijgen.” De artiesten met wie Paul Simon samenwerkte, herhaalt Tambo keer op keer, „waren niet vrij”.

Ondanks een stevige omzelzing aan het eind van de film, laat Simon zich niet door Tambo overtuigen. Hij ging naar Johannesburg met de beste bedoelingen. Anders dan bijvoorbeeld Elton John, Queen of operazangeres Kiri Te Kanawa kwam hij niet om voor een publiek van geprivilegieerde blanken op te treden in het zondige gokpaleis ‘Sun City’ in het door de apartheidsstaat gecreëerde semi-onafhankelijke ‘thuisland’ Bophuthatswana. Dergelijke schnabbels had hij al twee keer afgewezen.

Township jive

Maar anders dan Peter Gabriel (Biko) of Stevie Wonder (It’s Wrong) was Simon ook niet van plan een protestsong op te nemen of zich politiek uit te spreken. Hij wilde maar één ding: via een gedurfde muzikale samenwerking de opzwepende ‘township jive’ of ‘mbaqanga’ ontsluiten voor de buitenwereld. De eenvoudige Afropop-deuntjes, met energieke beat, strakke gitaarloopjes en als saxofoons snerpende accordeons, deden hem denken aan de rock-’n-roll uit zijn eigen jeugd in de VS, zei hij in een interview met het tijdschrift Rolling Stone. Zijn carrière zat in het slop, erkent hij eerlijk in de documentaire, en zonder een hijgende platenmaatschappij in de nek kon hij zo lang als nodig werken aan een nieuw album waarover hij echt tevreden was.

Dat begon met tien dagen Johannesburg, waar hij niet alleen General Shirinda en de Gaza Sisters (die van de exotische kreten in I know what I know) liet opdraven, maar ook dankzij Simon later internationaal doorgebroken muzikanten als de op Graceland niet te missen gitarist Ray Phiri en bassist Bakithi Kumalo. Enkele nummers op Graceland zijn in feite covers van songs van Phiri en anderen, licht verwesterd en van surrealistische teksten voorzien door Simon. Maar kritiek uit linkse hoek dat Simon als „muzikale kolonisator” of „Livingstone van de jaren tachtig” de zwarte muziek kwam afpikken, doet Phiri van de hand. „Ik had niet het gevoel dat hij me gebruikte”, zei hij onlangs in een interview. „Mijn muziek ontdekte hem, niet andersom.” De samenwerking heeft hem geen windeieren gelegd.

De sfeer in het land bleek in 1985 gespannen, geeft Simon toe in de film. En al stralen de beelden in de studio van de onnozel ogende Amerikaan tussen de dollende Zuid-Afrikanen vooral plezier uit, zelfs muziek maken was niet waardevrij. „Zie je wel, ze kunnen het gewoon niet”, zei een blanke technicus toen de Boyoyo Boys hun riffjes niet geoefend hadden. Simon stond, voordat de briljante Phiri arriveerde, naar eigen zeggen „op het punt racist te worden”. Voor een tweede sessie opnames, met Ladysmith Black Mambazo, in klassieke Zulu-harmonie te horen in Homeless en Diamonds on the Soles of her Shoes, verkaste hij naar de Abbey Road Studio Londen.

Simons vrienden Paul McCartney, componist Philip Glass en een batterij bekende Afro-Amerikanen (Whoopy Goldberg, Oprah Winfrey, Quincy Jones) mogen in de mede door Simons broer Eddie geproduceerde documentaire allemaal vertellen wat een mijlpaal het album is geweest en hoe goed ze het nog altijd vinden. Ook de zwarte Zuid-Afrikaanse muzikanten zijn louter complimenteus en vinden, met Simon, dat kunstenaars zich niet voor karretjes van politici moeten laten spannen. Tussen al dit enthousiasme komt de kritiek van gestaalde kaders Tambo en ANC-huisdichter Wally Serote na al die jaren wat zuur over. De film gaat ook niet in op hun veronderstelling dat het bezoek van Simon door het blanke regime gebruikt kon worden.

Want dat was wel wat gebeurde, schreef de Amerikaans-Zuid-Afrikaanse muziekwetenschapper Louise Meintjes al jaren geleden in een analyse: Graceland werd het favoriete album op de radiozenders van het apartheidsregime om, zoals Rolling Stone in 1987 suggereerde, te laten zien „dat het land niet geïsoleerd is van de internationale gemeenschap en dat raciale samenwerking ondanks de apartheid mogelijk is”.

Maar het door de staat omarmde succes van Graceland had een paradoxaal neveneffect: niet eerder klonk op de blanke radio ‘etnische’ muziek. De buitenlandse successen van Ladysmith Black Mambazo, dat enkele Grammy Awards won, en Ray Phiri’s band Stimela werden in de propagandapers opeens breed uitgemeten als toonbeeld van hervormingen waarmee het apartheidsregime in zijn nadagen goede sier probeerde te maken. Daarmee werd Simons multiculturele project opeens politieker dan hij ooit voorzien kon hebben.

Uiteindelijk, zegt Dali Tambo in Johannesburg, vertelt Under African Skies vooral het verhaal van Simon. „Het zat hem blijkbaar nog altijd dwars wat toen gebeurd is.” En terwijl de protestsongs van Peter Gabriel en Stevie Wonder anno 2012 gedateerd overkomen, heeft Graceland de tand des tijds doorstaan. „Prachtige muziek, dat vind ik ook”, erkent Tambo. „En wat telt is dat we nu vrij zijn, ondanks mensen als Paul Simon.”

Paul Simon en Ladysmith Black Mambazo treden op 18 juli op in Ziggo Dome in Amsterdam; op 19 juli wordt de documentaire Under African Skies in bijzijn van Simon vertoond in Tuschinski. De documentaire wordt di 17 juli door de VPRO uitgezonden op Nederland 2, 22.45u. De film zit als dvd bij de eerder dit jaar verschenen jubileumeditie van Graceland.