Mijn tijd was echt de beste

Na je 25ste sta je niet of nauwelijks meer open voor nieuwe muziek. Je gaat werken, krijgt kinderen. En zo heb je geen tijd meer om naar muziek te luisteren.

Iedereen herinnert zich nog hoe vreselijk oud en onwetend je ouders waren toen zij hoofdschuddend mompelde dat hele housegedoe echt niet te snappen. Nooit, NOOIT zou jij zo out of touch raken als zij.

En toen gebeurde het toch...

Als je na een lange werkdag thuiskomt, gaat – uit gewoonte – de muziek op die je al sinds je jeugd luistert. En ondanks die paar verwoede pogingen om weer eens iets nieuws te ontdekken, ben je eigenlijk al jaren niet verder gekomen dan een Amy Winehouse of Adele. Van de namen op het Lowlandsbiljet herken je ondertussen amper een kwart.

Je bent oud.

Of oud, in ieder geval ouder dan 25. Dat is volgens onderzoekers de leeftijd waarop de ontvankelijkheid voor nieuwe muziek afneemt. En nee, dit geldt niet voor iedereen. Er zijn genoeg mensen die van muziek hun hobby of werk hebben gemaakt en – nog steeds – wekelijks in platenzaak, Paradiso of op Pitchfork te vinden zijn. Ook ondergetekende (die er haar werk van heeft gemaakt) luistert tijdens het schrijven van dit artikel naar de nieuwste cd van Angus Stone. Die van Angus & Julia Stone. Weet je niet wie dat zijn? Dan ben je waarschijnlijk van vóór 1983. In 2008 kwam in Nederland namelijk hun eerste album uit, toen was jij de 25 al gepasseerd.

Maar maak je geen zorgen: je behoort tot de meerderheid. De grote groep mensen die rond hun vijfentwintigste simpelweg te druk is geraakt met andere zaken en bij wie het ‘popvenster’, zoals de Nederlandse psycholoog Douwe Draaisma (1953) het noemt, langzaam is gesloten. Draaisma: „Na je vijfentwintigste ben je klaar met je studie. Je gaat werken, krijgt kinderen. Je hebt geen tijd meer om met je vrienden concerten te bezoeken of hele dagen naar muziek te luisteren. Het zijn eigenlijk heel praktische redenen, maar je ontvankelijkheid voor nieuwe muziek neemt op die leeftijd af.”

Al in 1989 kwamen twee Amerikaanse onderzoekers, Morris Holbrook and Robert Schindler, tot eenzelfde conclusie. In hun artikel in Journal of Consumers Research schrijven ze ook dat de muziek waarmee je opgroeit vaak de muziek blijft waar je de rest van je leven de meeste waardering voor houdt. Een bevinding die de twee eerst aan hun eigen muziekvoorkeuren hadden gestaafd (de oudste hield inderdaad van jarenvijftigmuziek, de middelste van The Beatles en een van hun jongere vrouwen van Bruce Springsteen) en vervolgens hadden getest bij honderd proefpersonen tussen 16 en 86 jaar.

Ook psycholoog Draaisma, die is gespecialiseerd in het geheugen, onderwerpt zijn publiek tijdens lezingen regelmatig aan een testje. Hij toont ze tekstregels van bekende popnummers uit verschillende periodes. Nooit de makkelijk herkenbare refreintjes of evergreens die generaties overstijgen, maar wel nummers die iedereen die toen jong was, kan herkennen. Draaisma: „De mensen die het snelst reageren, zijn meestal mensen die een jaar of zestien, zeventien waren toen het nummer een hit was.”

Die late tiener-, begin twintigerjaren zijn volgens Draaisma de jaren waarin het popvenster wagenwijd openstaat. Op dat moment is muziek een belangrijke sociale factor, belangrijker dan in latere jaren. Waar je naar luistert, staat op je zeventiende ook voor wie je bent, welke kleren je draagt, met wie je omgaat en waar je uitgaat.

De reden dat die muziek vervolgens ook de rest van ons leven belangrijk blijft, heeft te maken met het feit dat het de leeftijd is waarop je veel dingen voor het eerst doet en bepalende momenten meemaakt – momenten die vaak gepaard gaan met muziek. Je gaat uit, gaat voor het eerst op vakantie zonder je ouders, wordt verliefd.

Het bestaan van zo’n popvenster verklaart waarschijnlijk waarom iedere generatie meent dat in zijn jeugd de beste muziek is gemaakt. In het hoofdstuk ‘Mijn tijd was de beste’ dat Draaisma schreef voor een boek over de Top 2000, vertelt hij hoe er bij zijn lezingen vaak vingers de lucht in gaan van leeftijdsgenoten die menen dat het ‘toch gewoon zo is’ dat de beste muziek werd gemaakt rond het eind van de jaren 60 en het begin van de jaren 70. „Het is een gewetensvraag”, schrijft Draaisma vervolgens. „Kijkend door hetzelfde venster in de tijd is het verleidelijk om ook te vinden dat ik zo gelukkig ben geweest opgegroeid te zijn met wat door puur toeval het hoogtepunt was in de geschiedenis van de popmuziek. Maar als psycholoog moet ik de uitkomsten van experimenten laten spreken en uitleggen dat juist het feit dat we het hier zo gezellig over eens zijn ons definieert als generatiegenoten.”

Misschien goed om te onthouden voor later, als jouw kinderen thuiskomen met onbegrijpelijk slechte muziek.