Klassiek improviseren maar!

Improviseren gebeurde nauwelijks meer in de klassieke muziek. Nu komt het voorzichtig terug. „Chopin improviseerde voortdurend op z’n eigen werk.”

Ooit was improviseren voor een uitvoerder van klassieke muziek net zo gewoon als tegenwoordig voor een jazzmuzikant. Grote componisten als Bach, Chopin en Liszt waren als improvisatoren niet minder beroemd dan als componist. En nog in de vroege twintigste eeuw waren improvisaties een gangbaar onderdeel van pianorecitals.

Honderd jaar later is improvisatie bijna geheel uit het klassieke muziekleven verdwenen. Alleen voor organisten is improviseren nog gewoon, zoals het Internationaal Orgel Improvisatieconcours bewijst, dat aanstaande maandag in Haarlem voor de 49ste keer van start gaat.

Hoe kan het dat een ooit zo centraal onderdeel van het klassieke muziekleven tegenwoordig een zo marginaal bestaan leidt? Volgens Karst de Jong (1961), docent klassieke improvisatie aan de Escola Superior de Música de Catalunya (ESMUC) in Barcelona en docent Muziektheorie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, wordt in de klassieke muziekwereld op improvisatie neergekeken. De Jong: „Improvisatie wordt vaak geassocieerd met lage cultuur, terwijl klassieke muziekopleidingen zichzelf graag zien als broedplaatsen van hoge cultuur. In klassieke muziek moet alles altijd om de grote meesterwerken draaien, waarin elke noot heilig is.”

Door deze minachting van improvisatie worden klassieke musici volgens De Jong ernstig in hun creativiteit beknot. De Jong: „In feite word je als klassieke musicus tegenwoordig gewoon niet serieus genomen. Je moet je strikt houden aan wat de partituur voorschrijft. Kom je met iets van jezelf, dan word je meteen teruggefloten.”

Volgens David Dolan (1955), docent improvisatie aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen, is de situatie bovenal tegenstrijdig. Dolan: „Chopin werd woedend als leerlingen zijn stukken de volgende les precies zo speelden als de week ervoor. Zelf improviseerde hij voortdurend op z’n eigen werk. Van zijn Nocturne op. 9 nr. 2 zijn maar liefst zeventien verschillende versies bekend! Maar doe je tegenwoordig als pianist wat Chopin zelf wilde, dan geld je ineens als cultuurbarbaar!”

Van drukkende invloed is volgens Dolan vooral de opname- en wedstrijdcultuur. Dolan: „De gepolijste standaarduitvoeringen die we van cd’s en concoursen kennen zijn voor bijna alle musici een richtsnoer geworden. Vrijwel niemand durft nog risico’s te nemen of iets onverwachts te doen. Het gevolg is eenheidsworst: op concerten klinken steeds weer dezelfde stukken op vrijwel precies dezelfde manier. Het is een kwestie van tijd dat dat niet meer gaat werken. In de toekomst zal het echt om creativiteit moeten gaan.”

Erasmusproject

Langzaam aan beginnen de muziekopleidingen het belang van creatief musiceren te erkennen. Op de ESMUC-school in Barcelona, opgericht in 2001, is improvisatie voor alle studenten twee jaar lang een verplicht vak. Aan de Guildhall School in Londen werd in 2006 het Centre for Creative Performance and Classical Improvisation opgericht, waar zich elk jaar zo’n veertig nieuwe studenten op klassieke improvisatie toeleggen. Het Koninklijk Conservatorium van Den Haag lanceerde dit jaar een driejarig, internationaal Erasmus-project, geheel aan klassieke improvisatie gewijd. Op het eerste congres, in januari 2012, kwamen tientallen studenten en docenten uit heel Europa af.

Doel van het Haagse Erasmusproject is niets minder dan een herdefinitie van het vak van de klassieke musicus. Karst de Jong: „Studenten zien een partituur tegenwoordig als een verplichtend voorschrift voor waar ze hun vingers moeten zetten. Ze realiseren zich niet dat composities vaak al improviserend zijn ontstaan, en dus slechts mogelijke uitwerkingen zijn van een muzikaal idee. Zo’n idee kun je zelf ook op heel andere manieren uitwerken. Dat is waar we bij het Erasmusproject aan werken. Ik geef studenten bijvoorbeeld een kort fragment uit een pianoconcert van Mozart en vraag ze daarop te improviseren. Langzaam ontdekken ze zo wat er met een bepaald gegeven allemaal mogelijk is. Zo vergroten ze hun creativiteit, maar leren ook Mozart van binnenuit begrijpen.”

Ook enkele musici proberen improvisatie weer in de muziekpraktijk te integreren. De Amerikaanse pianist Robert Levin (1947) specialiseert zich in het improviseren van cadensen in soloconcerten. De Venezolaanse sterpianist Gabriela Montero (1970) maakt wereldwijd furore met verbluffende improvisaties op verzoeknummers. De Duitse pianist Michael Gees (1953) experimenteert met recitals. Gees: „Ik heb groot respect voor bestaande composities, en toch kan ik mij van elke geschreven noot voorstellen dat het ook een andere noot kan zijn. Of dat het ritme er anders uit zou zien. Dit jaar speel ik een Erik Satie-recital waarop ik Saties werken wel als uitgangspunt neem, maar toch speel ik ze niet van a tot z. Op een zeker moment verlaat ik de partituur en laat ik de stukken een loop nemen zoals het moment mij dat ingeeft. Ik probeer Saties stukken zo te hercreëren, in het heden en op een spontane manier.”

Gees hoopt dat door zijn concerten de grens tussen improviseren en componeren zal vervagen, wat niet alleen voor uitvoerders belangrijk is, maar ook voor componisten. Gees: „Moderne componisten vergeten vaak dat ze voor een publiek schrijven, zoals je kunt horen aan de vaak overcomplexe hedendaagse muziek. Door een meer improvisatorische, uitproberende benadering kan nieuwe muziek dichter bij het publiek komen.”

Kerkdiensten

Aan de orgelwereld lijkt de teloorgang van het creatieve musiceren grotendeels voorbij te gaan. Met het Internationaal Orgel Improvisatieconcours Haarlem zijn al vele grote orgelcarrières begonnen. Volgens Hans Fidom (1967), hoogleraar orgelkunde aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en verbonden aan het Amsterdamse Orgelpark, heeft dit vooral praktische oorzaken. Fidom: „Er zijn tussen orgels enorme verschillen, qua klankkleur en mechaniek. Elk instrument vraagt om een eigen benadering, waardoor je met een standaarduitvoering niet wegkomt. Dat werkt een improviserende aanpak in de hand. Maar ook kerkdiensten spelen een belangrijke rol. Als kerkorganist moet je net zo lang doorspelen tot de collecte voorbij is. Dan kun je gewoon niet anders dan improviseren.”

Van organisten kunnen we volgens Fidom dan ook veel leren. Fidom: „De basis van het muziek maken is dat iemand gaat zitten en enthousiast zegt: ‘Moet je eens luisteren!’ Alle andere vormen van muziek maken, ook het spelen van een partituur, zijn indirect en minder fundamenteel. Die basiservaring mag nooit verloren gaan.”

Hoe ver een improvisatiecarrière je kan brengen, laat Louis van Dijk (1941) zien, die naar eigen zeggen uit louter plezier besloot improviseren tot z’n specialiteit te maken. Van Dijk: „Bij het uitvoeren van klassieke muziek was ik altijd doodzenuwachtig. Maar bij improviseren raakte ik meteen ontspannen. Het komt echt uit mijn ruggemerg, en het is verrassend voor mij zelf én mijn publiek. Maar wie in Nederland improviseert, wordt niet langer als klassieke musicus gezien. In Amerika is dat heel anders. Niemand kijkt er daar van op dat André Previn vroeger in een erkend jazztrio zat, of dat Chick Corea samen met Friedrich Gulda Mozarts dubbelconcert voor twee piano’s speelde. En mijn cd After Hours (1983), met werken van Gershwin, Duke en Porter, stond in Amerika weken lang in de klassieke top-10! In ons land is zoiets ondenkbaar. Nederland is ongelofelijk behoudend.”

Toch is Van Dijk optimistisch. „Hopelijk zal het subsidie knijpen ook goede effecten hebben. Misschien spoort het klassieke musici aan eens buiten de gebaande paden te treden. Dat zou een prachtig resultaat zijn.”

Internationaal Orgelfestival Haarlem 14 t/m 28 juli, inl. organfestival.nl