In een oude stal, luisteren naar oude opnames van Hugo Claus

Character Study - Dolores van Alex Verhaest in de Rode Hoed

Poëzie en beeldende kunst gingen vroeger hand in hand op het jaarlijkse festival in Watou, het Vlaamse plattelandsdorpje aan de Noord-Franse grens. Maar de band is vrijer geworden. Niet langer ‘beeld bij poëzie’, maar kunst en dichtwerk dat voor elkaar lijkt gemaakt.

„Zo goed schrijven dat je lezer op het drukste kruispunt van de stad blijft staan lezen. Tot hij overreden wordt.” Dit citaat van Leonard Nolens siert in grote letters de gang vol gedichten waarmee de recente winnaar van de Prijs der Nederlandse Letteren wordt geëerd op het kunst- en poëziefestival Watou 2012. De kans dat er in Watou iemand onder een auto belandt door het lezen van poëzie is klein. Niet omdat de geselecteerde gedichten en kunst niet beklijven, maar omdat het er extreem rustig is.

Al 29 zomers lang is Watou een traditioneel zomertripje voor kunst- en poëzieliefhebbers in de lage landen. In het Vlaamse plattelandsdorpje aan de Noord-Franse grens is in schuren, brouwerijkelders en een kerk plaats gemaakt voor kunst en poëzie. Zo beluister je in een stal oude opnames van Claus en laten druppels uit een werk van Fabrice Samyn het water van het doopvont trillen.

Het thema van Watou 2012 is Over toevallige ontmoetingen en de dingen die niet echt voorbij gaan. „Maar deelnemers hoefden zich niet gevangen te voelen door die zin”, vertelt intendant Jan Moeyaert. Soms zit de ontmoeting in het onderwerp van een kunstwerk, zoals bij Koen Vanmechelen die voor zijn Cosmopolitan Chicken Project al jaren kippenrassen kruist en zo probeert een universele kip te kweken. Maar evengoed kan de ontmoeting in de combinatie van een gedicht en kunstwerk zitten.

Sinds de stichting KU(N)ST in 2009 de organisatie van Watou overnam van oprichter Gwij Mandelinck is het festival een nieuwe koers ingeslagen. Moeyaert: „Vroeger was Watou beeld bij poëzie. Nu is de band vrijer.” Kunst en poëzie worden ook niet langer geselecteerd door één sturend iemand, maar door een team van kunst- en poëziekenners. Zo selecteerde Hilde Teerlinck, curator bij het FRAC Nord-Pas de Calais, de werken in het gemeentehuis en Willy Tibergien, oprichter van het Poëziecentrum Gent, de meeste poëzie.

Op Watou krijg je kunst en poëzie die voor elkaar lijken gemaakt, zoals Bart Moeyaerts gedichten vol kinderdromen en -angsten en de sculpturen van Sofie Muller. Zinnen als „Wat als het niet de schuld is van mijn krappe jas. Wat als de hele wereld past, maar niet bij mij” krijgen iets concreets wanneer je plots oog in oog staat met Mullers Brandt: een scholier in brons, witte sokjes, korte broek, die met zijn hoofd tegen de kale muren schuurt en een zwart spoor achterlaat.

Iets verder zie je Meggy Rustamova vergeefse pogingen ondernemen haar moeder vast te leggen op film, een grappige, onmogelijke opdracht waarbij vooral de door moeder en dochter gedeelde zenuwtrekjes steeds duidelijker worden.

Geregeld krijg je echter ook beelden zonder bijbehorende poëzie. Zo rijzen in de centrale ruimte van de Doeviehoeve een immense Boeddha en nog grotere Jezus uit de vloer. Deze beelden van Zhang Huan, opgebouwd uit as van opgebrande wierook in bedevaartsoorden, spreken blijkbaar voor zich.

Er is duidelijk gekozen voor een combinatie van (Vlaamse) publiekslievelingen en onbekender werk. Zo zijn er opvallend veel jonge Belgische beeldend kunstenaars te zien zoals Fabrice Samyn, de ode aan de lezende vrouw van graphic novelist Randall C. en de filmpjes van Alex Verhaest, haast maniëristische portretten getoond op iPads.

Door de keuze voor beeldend jong talent valt op dat de aandacht voor jonge dichters dit jaar beperkt is. Je kunt je laten verleiden om op een boomstronk te luisteren naar tv-opnames van Hans Faverey of in een standstoel weg te mijmeren bij Herman de Coninck die uitlegt hoe mooi een paar borsten in een paar handen passen. Poëzie die past bij de landelijke sfeer van het festival. Toch had wat jong vilein taalgeweld zoals Andy Fierens of poëzie die op een onverwachte plek opduikt, geen kwaad gekund. De grens tussen wegmijmeren en in slaap sukkelen blijft dun in een dorp waar de tijd net iets trager lijkt te gaan dan in de rest van de wereld.