De kunstenaar als spotter en stenengooier

Hij houdt van stenen, maar de Amerikaanse kunstenaar Jimmie Durham is tegen architectuur. Op zijn retrospectief in het Muhka in Antwerpen lijkt hij ook wel tegen kunst.

Het klinkt nogal bescheten, het is een uitspraak die zowel verbaast als vermoeit: Jimmie Durham is tegen architectuur. Hoe kun je daar nou tegen zijn? Tegen architectuur zijn is net zoiets als tegen het weer zijn, of tegen de dood. Tegen de doodstraf kun je protesteren, tegen de dood niet. Durham (1940) heeft een tijdje gewoond in het atelier dat Hitler voor zijn lievelingskunstenaar Arno Breker liet bouwen in de Berlijnse wijk Grünewald en het is vooral architectuur van de dictatoriale soort waartegen hij zich keert. Kerken en staatsinstellingen, de gebouwen van de macht. Durham maakte ooit een film over zeven grote brokken graniet die Hitler en zijn hofarchitect Speer in Zweden al hadden uitgezocht om deel uit te maken van een triomfboog. „Ze zijn stil aan het wachten op de geschiedenis”, schrijft Durham. „Ik wil ze bevrijden, ik wil ze licht maken.” Zelf maakte hij graag draagbare of verrijdbare triomfbogen, handzame boogjes van dun staal en hout die alle zwaarte missen. Karig en elegant.

Twee zijn er te zien op de tentoonstelling van Durham in het M HKA in Antwerpen, een tentoonstelling die zijn hele carrière omspant, sinds zijn doorbraak eind jaren tachtig, maar relatief veel nieuw werk toont. Te zien zijn bijvoorbeeld de totemachtige beelden die verwijzen naar zijn afkomst – Durham is een Cherokee-indiaan – naast het recente project waarin Durham, die vanaf midden jaren negentig in Europa woont, dit continent aan een soort antropologisch onderzoek onderwerpt. Nieuw zijn de schilderijen waar Durham, wiens titels vaak al een belangrijk deel van het werk vormden, naar hartenlust op schrijft. Snake Eyes (2006) is een collage van nietigheden, een dobbelsteen, een platgetrap colablikje, schelpjes. Onder bijna elk voorwerp heeft Durham iets geschreven. „This is real whale skin” onder twee vierkantjes van – misschien – walvissenhuid, „Danger!” onder een spiegeltje. Durham heeft in zijn teksten een innemende stijl vol zelfspot ontwikkeld, die zijn werk de zwaarte ontneemt die kunst vaak kenmerkt. Over een eigen werk zegt hij bijvoorbeeld dat het wel erg op een werk van zijn voorganger Joseph Beuys lijkt, dat hij bovendien misschien wel verkeerd begrepen heeft. En dan is hij over deze groep werken nog niet klaar: „Ze zien er slecht gemaakt uit, zijn te letterlijk en ze hebben spiegels waarin je je haar kunt kammen voor het geval je er leuk uit moet zien.” Het gevaar van deze aanpak is koketterie, maar meestal weet Durham die met humor te ontwijken. Door die humor wordt het dan soms weer flauw.

Als je tegen architectuur kunt zijn, kun je ook tegen kunst zijn. Soms lijkt het alsof Durham dat ook is, al zegt hij het niet met zoveel woorden. Gelukkig maar, want zijn architectuurkritiek is soms net zo bombastisch als de gebouwen die hij bekritiseert, zeker als die kritiek niet door hemzelf maar door zijn exegeten wordt verwoord. En het gaat bij zijn anti-kunst ook niet om Arno Breker of andere kunstenaars van de macht, maar om alle kunst, om het hele fenomeen kunst. Wat is dat eigenlijk?

In een hoek van het M HKA staan bijvoorbeeld twee stukken hout. Het ene is bewerkt; zou een stoel of leeuwenpoot kunnen zijn, of allebei; het andere is tak gebleven. Ze lijken wel erg op elkaar, dezelfde knikken, dezelfde bochten in het hout. Wat is mooier? Is die tak niet genoeg? Wat is kunst? Hebben we kunst wel nodig? Kun je er niet gewoon tegen zijn? Ik ben eigenlijk ook tegen de dood.

Zulke gedachten weet het werk van Durham vaak op te roepen, en dan tintelt het. Gek word je ervan, als van een sterrennacht. Niet op de tentoonstelling te zien, maar wel in de catalogus afgebeeld is Hommage à Filliou (2003), dat bestaat uit twee goudkleurige stukken hout van ongeveer hetzelfde formaat, het een glad en recht, het ander nog tak, en de teksten: „een stuk hout gebeeldhouwd door een machine beschilderd door een mens” / „een stuk hout gebeeldhouwd door een hond beschilderd door een mens”.

Ook bij de stenen, zijn meest geliefde materiaal, is het vaak de vraag of bewerken beter is dan niet bewerken. Wat heeft cultuur dat natuur niet heeft? Moet de kunstenaar iets maken dat geïnterpreteerd kan worden of dat juist geen interpretatie nodig heeft? Soms verft Durham gezichtjes op stenen, soms zelfs op heel grote stenen, die een auto of een vliegtuig lijken te verpletteren, soms exposeert hij ze onveranderd maar geeft ze wel namen. Ook dan worden het individuen.

Soms gooit Durham zijn stenen, tegen een ijskast bijvoorbeeld, die dan ook weer tentoongesteld wordt, als een soort martelaar, St. Frigo. Op een video is te zien hoe mensen voorwerpen naar de kunstenaar kunnen brengen, die als een soort ambtenaar achter een bureau in een kantoor zit. Het gebrachte voorwerp wordt door de kunstenaar met een steen vernietigd. Dat is een heerlijk gezicht, een opluchting. Of deze rol van vernieler de stenen ‘bevrijdt’ of ‘lichter’ maakt, zoals Durham zegt, daaraan kun je twijfelen. Soms levert de vernietiging wel een aardig resultaat op. Instant bevredigend is het korte filmpje waarin een steen in een emmer verf wordt gegooid en er even kleur door de lucht vliegt. Op de Documenta in Kassel exposeert Durham nu twee identiek lijkende brokken zandsteen, met twee verschillende opschriften: „deze steen komt uit de bergen/ deze steen komt uit het rode paleis”. Dat is een oud werk, uit 1992. Met sommige onderwerpen kun je een leven lang bezig blijven; variaties op een thema. Voor deze Documenta maakte Durham ook een nieuw werk. The history of Europe: een stenen werktuig uit de prehistorie ligt onder deze titel in een vitrine naast een kapotte, nooit afgeschoten Duitse kogel uit 1942. Variaties op een thema.

Durham is behalve kunstenaar ook essayist en dichter. De essays in zijn bundel A Certain Lack of Coherence uit 1993, verkrijgbaar in het museum, zijn vooral strijdbaar; ze gaan over de positie van indianen in Noord-Amerika en de manier waarop die worden verbeeld. Uit zijn recente essay voor de catalogus is de politiek nagenoeg verdwenen en in zijn toon is zelfgenoegzaamheid geslopen. Durham schrijft vooral over zichzelf. Misschien kan dat nu omdat het mede dankzij Durham is dat de kijk op kunst veranderd is; de plaats van niet-westerse kunst of niet-westerse kunstenaars is de afgelopen dertig jaar ontegenzeggelijk verbeterd. „Nu beseffen we dat alles kunst kan zijn, als de kunstenaar maar goed genoeg is”, zegt Durham, al is die tekst ook een dooddoener. Voor inzicht in zijn werk heb ik meer aan een gedicht van een ander, de Portugees Alberto Caeiro (een van de pseudoniemen van Pessoa).

Het mysterie der dingen, waar is dat?

Waar is het, dat het zich niet laat zien

Althans om te tonen dat het mysterie is?

Wat weet de rivier hiervan en wat de boom?

En ik, die niet meer ben dan zij, wat weet ik ervan?

Telkens als ik naar de dingen kijk en denk aan wat de

mensen ervan denken,

Lach ik zoals een koele bergbeek klatert over stenen.

Want de enige verborgen zin der dingen

Is dat ze geen enkele verborgen zin hebben.

Het is vreemder dan alles wat vreemd is,

Vreemder dan de dromen van alle dichters

En de gedachten van alle filosofen,

Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn

En dat er niets te begrijpen valt.

Ja, dat hebben mijn zintuigen helemaal alleen geleerd:

De dingen hebben geen betekenis: ze bestaan.

De dingen zijn de enige verborgen zin der dingen.

Ja, ook het beroemde gedicht van Carlos Drummond de Andrade over de steen welde op (Midden op de weg lag een steen!) Hebben de dichters gelijk? Durham blijft twijfelen.

Een kwestie van leven en dood en zingen. M HKA, Leuvensestraat 32, Antwerpen. T/m 18 nov. Di t/m zo 11-18u, do 21u. Inl. muhka.be