'Bij verkiezingen in de VS wint de kandidaat met het meeste geld 95 procent van de tijd'

De aanleiding

Het Amerikaanse hooggerechtshof heeft bepaald dat bedrijven ongelimiteerd geld mogen schenken aan de campagnes van Amerikaanse presidentskandidaten, meldt het NOS Journaal op 6 juli. Dat is niet goed voor de democratie, meent correspondent Eelco Bosch van Rosenthal. En het probleem is breder dan alleen de presidentsverkiezingen. „In bijna 95 procent van de gevallen wint de kandidaat met het meeste geld”, zegt hij in een voice-over tijdens de uitzending. Lezer Renée Kruisinga uit Beilen vraagt zich af: klopt dit wel? next.checkt zocht het uit.

Interpretaties

Bij navraag blijkt Eelco Bosch van Rosenthal met zijn uitspraak niet op presidentskandidaten, maar alleen op kandidaten voor de Amerikaanse parlementsverkiezingen te doelen. Hij verwijst naar een onderzoek uit 2008 van het weblog OpenSecrets, van het Centre for Responsive Politics, waaruit die 95 procent zou blijken. Maar dat het alleen om parlementariërs zou gaan, komt in het item – dat over de presidentsverkiezingen gaat – echter niet duidelijk naar voren. In de context van de reportage lijkt de NOS ook op presidentskandidaten te doelen. Daarom zullen wij voor deze factcheck voor de volledigheid kijken naar zowel de Amerikaanse parlements- als presidentsverkiezingen.

En, klopt het?

Ten eerste zullen wij kijken naar de verkiezingen voor het Amerikaanse parlement, het United States Congress. Dat bestaat uit het Hogerhuis (Senaat) en het Lagerhuis (House of Representatives). Uit het door de NOS geraadpleegde onderzoek uit 2008 blijkt het volgende: in 2008 werden de verkiezingen in 93 procent van de gevallen gewonnen door de Lagerhuiskandidaat die het meeste geld uitgaf aan zijn campagne. Voor de Senaat was dat zelfs 94 procent. Dat is inderdaad, in beide gevallen, „bijna 95 procent”.

Maar dat is slechts gemeten over een verkiezing (november 2008). Het Centre for Responsive Politics (CRP) heeft ook recentere cijfers. Bij de parlementsverkiezingen van 2010 was dat bijvoorbeeld 86 procent (Lagerhuis) en 81 procent (Senaat). Over de afgelopen zes verkiezingen beschouwd – sinds 2000, het moment dat het CRP begon met tellen – was dat 93 procent (Lagerhuis) en 83 procent (Senaat). Samengenomen won bij de afgelopen zes parlementsverkiezingen in 92 procent van de gevallen de kandidaat die het meeste geld uitgaf aan zijn campagne. Ook over die periode houdt de uitspraak stand.

Overigens waarschuwt het CRP dat hier geen direct causaal verband aan mag worden toegekend. Het is namelijk niet zo dat meer geld uitgeven sowieso meer kiezers oplevert. De statistieken zijn ook symptomen van het gebrek aan competitie bij de parlementsverkiezingen, en tonen hoe moeilijk het is voor niet-zittende kandidaten om fondsen te werven. In een ongeveer kwart van de gevallen gaf de verliezende tegenstander nauwelijks iets uit aan zijn campagne – dan wordt er gesproken van een ‘non-competitive contest’. Dit verandert echter niets aan de statistiek: de door Bosch van Rosenthal gestelde „bijna 95 procent” klopt.

Voor presidentsverkiezingen gaat het echter niet op. In 1976 werd het systeem van public financing ingevoerd. Dat wil zeggen dat de presidentskandidaten zich vanaf toen dienden te houden aan een vooraf vastgesteld bedrag. De campagne-uitgaven door de kandidaten waren in die periode gelijk, zegt Michael Malbin, directeur van het Campaign Finance Institute, een onafhankelijke instantie die campagne-uitgaven onderzoekt. Barack Obama brak met die traditie. Hij was in 2008 de eerste presidentskandidaat die de publieke financiering van de hand wees. Hij gaf meer uit dan zijn rivaal John McCain en won. Maar op basis van dit gegeven alleen is geen statistiek te maken.

De periode vóór 1976, dus voor public financing, werd in 1987 onderzocht door de Amerikaanse wetenschapper David C. Nice. Hij bestudeerde de invloed van campagne-uitgaven op de uitkomst van de presidentsverkiezingen over de periode 1860 tot 1980. De uitkomst: van de 31 presidentsverkiezingen werden er 22 gewonnen door de kandidaat die het meeste geld uitgaf. Dat is dus 71 procent van de gevallen, of 72 procent als je Obama’s overwinning in 2008 ook meerekent.

Bij dit onderzoek zijn alle presidentsverkiezingen in beschouwing genomen. Kijken we alleen naar ‘open’ verkiezingen, dus zonder dat er een zittende president in de running is voor een verlengde termijn, dan won in maarliefst 12 van de 13 verkiezingen degene meeste uitgaf – oftewel 92 procent.

Conclusie

Volgens NOS-correspondent Eelco Bosch van Rosenthal „wint in bijna 95 procent van de gevallen de kandidaat met het meeste geld” de verkiezingen in de VS. Daarmee doelde hij naar eigen zeggen op de Amerikaanse parlementsverkiezingen. Wat dat betreft heeft hij gelijk: de afgelopen zes verkiezingen – eerder werd er niet gemeten – was dat zo in 92 procent van de gevallen. Maar in het item lijkt het ook over presidentsverkiezingen te gaan. Voor de volledigheid bekijken we die dus ook. In de periode 1976-2004 gaven beide presidentskandidaten een gelijk, vooraf vastgesteld bedrag uit. Barack Obama was de eerste kandidaat die van deze publieke financiering afzag. In de periode daarbuiten won de kandidaat met het meeste geld in 72 procent van de gevallen – Obama meegerekend. Voor verkiezingen waaraan geen zittende president meedeed, is dat 92 procent. Voor parlementariërs en voor niet-zittende presidentskandidaten is de uitspraak dus waar, met betrekking tot presidenten in het algemeen niet. Al met al beoordeelt next.checkt de uitspraak dat in Amerika „in bijna 95 procent van de gevallen de kandidaat met het meeste geld wint” als grotendeels waar.