Als een kamikaze naar de kop cirkel

Rogier Hofman (25) is verdediger van het nationale hockeyteam. Op weg naar ‘Londen’ ziet hij heel wat strafcorners passeren, ook op video. „Naar een bal duiken zonder masker gaat mij te ver.”

K amikazehockeyers worden ze genoemd. Suicide runners. De verdediger die sprintend naar de bron de vijandelijke strafcorner onschadelijk maakt. Met gevaar voor eigen leven. „Mwah”, bagatelliseert Rogier Hofman. „Mijn vriendin heeft weleens gezegd: waarom doe je dit eigenlijk? Natuurlijk krijg je de bal soms tegen je lichaam. Maar gevaarlijk? Nee. Je hoeft echt niet gek te zijn om dit te doen.”

Op het kunstgras van de Riverbank Arena, in het Olympic Park van Londen, wacht hem een belangrijke taak. Als eerste uitloper van de Nederlandse ploeg is Hofman (25) degene die de baan van het schot opzoekt als de Australiër Luke Doerner of de Engelsman Ashley Jackson aanlegt. Zijn pantser: scheenbeschermers, een masker, crickethandschoenen – maar geen tok ter bescherming van z’n kruis. „Je moet juist niet proberen jezelf te beschermen. Als je dat doet loop je iets minder hard, en iets minder in de baan van het schot. Dan kun je worden geraakt als de push te hoog, of uit de richting is. Je moet vól doorlopen.”

Sluipenderwijs is het internationale hockey veranderd. Ooit was de corner doorslaggevend voor de weg naar het erepodium. Had je Floris-Jan Bovelander, Bram Lomans of Taeke Taekema in je team – dan zat je goed. „Bij een uitslag van 6-1 zaten er vaak wel vijf corners bij.”

Mede dankzij de uitlopers zijn de scherpste kantjes er de laatste jaren vanaf gehaald. „De verdedigende corner is een heel belangrijk onderdeel geworden. Scheidsrechters floten een tijdlang af voor suïcide-uitlopen, de laatste jaren letten ze er niet echt meer op.”

Het defensiewapen in de hockeytop werd in de hand gewerkt door nieuwe regels voor de kromming van de stick. Om te voorkomen dat keihard ingepushte ballen zouden veranderen in dodelijke projectielen werd de kromming aan banden gelegd. „Je merkt dat het minder hard gaat. Er er wordt minder gescoord uit corners. Ik vind dat wel goed. Ik vond de corner iets te dominant. Dit is leuker: je moet echt weer moeite doen om een corner te maken.”

De opmars van de verdedigende corner heeft nog een ander voordeel: hele generaties aanvallers gingen vroeger in de cirkel automatisch op zoek naar ‘een voetje’ – om een corner uit te lokken. Nu zijn ze veel meer doelgericht. „In de cirkel is een corner halen niet meer je eerste optie. Wij willen doorhockeyen.”

Bij een corner van de tegenpartij stelt de uitloper zich op op de doellijn, naast zijn keeper. „Zodra de corner wordt aangegeven sprint ik het doel uit, over de strafbalstip naar de kop van de cirkel. Met de stick in twee handen en je benen naast elkaar scherm je de hele linkerhelft van het doel af. Daardoor hoeft de keeper alleen nog de rechterhelft te verdedigen.”

Angst heeft Hofman niet tijdens zijn spurt. „Nee. Je moet snel zijn en je moet durf hebben. Natuurlijk krijg ik de bal wel eens tegen me aan, maar ik ben nooit gemeen geraakt. Naar mijn gevoel ben ik altijd zo dicht bij de bal dat ik word geraakt op mijn onderlichaam – als ik geraakt word. Eigenlijk sta ik op de minst gevaarlijke plek, omdat ik het dichtst bij de bal ben.”

Hofman kent de verhalen – van uitlopers in andere landen die hun ploeg desnoods met hun hoofd van een tegendoelpunt willen afhouden. „Ik weet niet of hockeyers in Australië of Zuid-Korea gekker zijn dan wij. Ik denk dat wij een andere grens hebben van wat wij nog gezond vinden.”

Bij de laatste Champions Trophy, eind vorig jaar, stopten verschillende Spaanse spelers halverwege het uitlopen, draaiden hun hoofd weg en kregen de bal tegen zich aan. Ze kwamen weg met een blauwe plek – en een vrije slag. „Het zag ernaar uit dat ze dat bewust deden. Dat gaat mij te ver. Het is ook niet nodig om de bal tegen je lichaam te krijgen. Maar Nederlanders lopen niet voorzichtiger uit dan Australiërs of Nieuw-Zeelanders.”

De enige die Hofman echt gevaarlijk vond was nota bene een landgenoot: Minke Booij, tijdens de olympische finale in Peking (2008), tegen China. „Ik zat met open mond te kijken: ik zag haar head-first naar een bal duiken, zonder masker. Toen dacht ik: leuk dat je dat doet voor de overwinning, maar dit gaat mij te ver. Als de coach dat van mij zou vragen zou ik het niet doen. Bij de mannen gebeurt dat op dit moment niet.”

In de voorbereiding op ‘Londen’ ziet Hofman honderden corners passeren. Op het veld, maar ook op video. „Voor een wedstrijd zetten we alle corners van de tegenpartij van het afgelopen half jaar achter elkaar. Dan krijg je een goed beeld van welke speler wat doet, wie waar staat, welke varianten ze hebben. Tijdens de Spelen zullen er weer nieuwe varianten zijn, dus we bestuderen dat niet te ver vooruit.”

Want de verdedigingslinie die de uitlopers hebben opgetrokken, leiden weer tot noviteiten bij de aanvallers. „Heel leuk, het is een soort wapenwedloop. De aanvallende corners worden creatiever. Vroeger stond er een stopper klaar op de kop van de cirkel, en een specialist voor de push. Nu staan er twee specialisten klaar, en weet je niet waar de bal wordt gestopt. Dat is heel lastig te verdedigen, heb ik gemerkt. Dat zijn wij aanvallend nu ook aan het trainen.”

Hofman is blij dat hij zijn steentje kan bijdragen aan de inperking van de allesoverheersende macht van de corner, die jarenlang de kleur van de medailles bepaalde in het internationale hockey. Toch werpt hij pleidooien voor afschaffing verre van zich. „Nee, de corner moet absoluut niet verdwijnen. Misschien zijn buitenstaanders het er niet mee eens, maar voor de sport is het een leuk en belangrijk onderdeel. Niet zozeer om doelpunten te maken, het hoort er gewoon echt bij.”

Rob Schoof

Dit is de derde aflevering van een serie interviews met Nederlandse deelnemers aan de Olympische Spelen die een detail van hun sport belichten.