Werk van museale kwaliteit blijft in trek

Veilinghuizen stropen particuliere collecties af op zoek naar topstukken. De superrijken in de wereld hebben daar nog steeds veel geld voor over.

De Heem, ‘Bloemstilleven’: 3,8 mln

De succesvolle verkoop van een bloemstilleven van Jan Davidsz. de Heem op de veiling van Oude Meesters in Londen trok vorige week niet eens veel belangstelling. Maar met 3,8 miljoen euro was de opbrengst ervan wel bijna twee keer hoger dan wat veilinghuis Christie’s van tevoren had verwacht.

Tussen de records van tientallen miljoenen dollars en ponden die dit voorjaar voor andere kunstwerken zijn neergeteld valt een van de hoogste opbrengsten op deze veiling, voor een De Heem, een beetje in het niet. Zo ging de aandacht in Londen vorige week vooral uit naar de opbrengsten van de collectie van Pieter en Olga Dreesmann. De nazaten uit het warenhuisgeslacht haalden in totaal 31,5 miljoen euro op voor hun verzameling, met als topstuk een Rembrandt (Man met halsstuk) die 10,5 miljoen opbracht.

Economische crisis of niet, kopers zijn er nog volop in de kunstmarkt. Juist deze De Heem is het voorbeeld van een werk dat Christie’s nu graag op de markt brengt. Een De Heem wordt hoogst zelden aangeboden. De 17de-eeuwse schilder staat bekend om zijn kleurige, gedetailleerde bloemstillevens. Een paar werken uit de periode na zijn terugkeer uit Antwerpen naar Utrecht springen er daarbij uit. Dit was daar één van. Het is een stuk „van museale kwaliteit”, zoals Manja Rottink, hoofd Oude Meesters en Romantiek (19e eeuw) bij Christie’s in Amsterdam, het uitdrukt. „Het is vergelijkbaar met stukken die in de grote musea hangen. Die willen particuliere verzamelaars graag hebben. Vooral als er maar een paar van zijn en ze nauwelijks op de markt komen.”

Voor dergelijke museale stukken hebben verzamelaars nog steeds veel geld over. In de afgelopen maanden sneuvelde het ene na het andere record op kunstbeurzen en -veilingen. Vooral voor 19de-eeuws werk en hedendaagse kunst. In het oog sprongen de 120 miljoen euro voor een van de vier versies van De Schreeuw van Edvard Munch en records voor Peinture (Étoile bleue) van Joan Miró (30,1 miljoen euro) en een Yves Klein (Le Rose du Bleu; 29,8 miljoen euro). Met 70,7 miljoen euro werd voor Orange, Red, Yellow uit 1961 het hoogste bedrag ooit neergeteld voor een werk van de Amerikaan Mark Rothko.

Prompt wist galeriehouder Marlborough Contemporary uit Londen een ander schilderij van Rothko (Untitled, 1954) van een particuliere verzamelaar los te weken om deze direct vorige maand op kunstbeurs Art Basel aan te bieden. Verkocht is het nog niet, maar de galeriehouder zei wel veel kandidaat-kopers te hebben.

De verkopen in Basel waren opnieuw hoog, met als uitschieter een abstract werk van de Duitser Gerhard Richter uit 1986, dat voor ruim 20 miljoen werd verkocht. Ook deze kunstenaar had net in mei een record bij Christie’s gebroken met een opbrengst van 17,7 miljoen euro voor Struktur (2) in New York.

Hoe kan het dat de kunstmarkt zo weinig last lijkt te hebben van de economische malaise in de wereld? Het antwoord is simpel: de kunstmarkt is geen weerspiegeling van de groei van de wereldeconomie. Het is een reflectie van de economie van de superrijken in de wereld, wijst onderzoek van de Amerikaanse econoom Benjamin Mandel uit. Het aantal superrijken neemt nog steeds toe, vooral in opkomende landen als China, Rusland en in de Arabische Golfstaten.

Zoals de Japanners in de jaren tachtig de prijzen naar recordhoogte brachten, helpt nu de instroom van kapitaal uit deze opkomende landen. Rijken uit het Westen doen gewoon mee.

De kunstmarkt heeft zich zo stevig hersteld van de klap die ze in 2009 opliep in het jaar nadat de financiële crisis was uitgebarsten. Dat jaar zagen de veilinghuizen zich genoodzaakt te reorganiseren. „Maar de laatste tweeënhalf jaar waren beter dan ooit”, zegt Jop Ubbens, directeur van Christie’s in Amsterdam.

Toch is er een kentering. De superrijken gaan vooral voor die topstukken waarbij de kunstenaar een soort merknaam is. „Het topsegment is heel sterk”, zegt Mark Grol, die directeur is voor continentaal Europa bij Sotheby’s. „Maar in het middensegment is het niet altijd even makkelijk.”

Dat blijkt onder meer uit de Moses Art Index, die de Amerikaanse economen Michael Moses en Jianping Mei samenstellen. Het eerste half jaar van 2012 is de index met 0,02 procent gedaald. Deze index wordt berekend uit de opbrengst op de veilingen bij Christie’s en Sotheby’s van werken waarvan de opbrengsten zijn geregistreerd. Stukken die lang niet op de markt zijn geweest, horen er niet bij. Dat zijn juist die museale stukken die lang in privécollecties verscholen zijn geweest, waar de superrijken zo happig op zijn.

Veilinghuizen stropen dus particuliere collecties af voor die museale topstukken. „Daar gaat het om: weten waar ze zitten en die mensen blijven benaderen”, vertelt Ubbens van Christie’s. „Van de tien die je er benadert happen er misschien maar twee. Maar dat is dan genoeg.”

Optimistisch zijn hij en Grol dat de markt goed blijft. „Het eerste half jaar van 2012 was ons beste ooit in Parijs”, zegt Grol. „We hebben voor het tweede half jaar al weer veel topstukken bij particulieren kunnen vinden. Ook dat zien we dus met optimisme tegemoet.”