Wat willen partijen nu echt met EU?

Er zijn drie ontwikkelingen waarover politieke partijen niet goed communiceren: de verdiepte integratie koppelt ons aan de zuidelijke eurolanden, de EU wordt intergouvernementeler en de EU wordt een overdrachtsunie, betoogt Adriaan Schout.

Illustratie Pavel Constantin

De Kamerverkiezingen van september lijken te gaan over de Europese Unie. Stap voor stap hebben Kamerleden de afgelopen twee jaar allerlei noodmaatregelen geaccepteerd. Morgen zal de Kamer vast instemmen met 30 miljard euro noodsteun voor Spaanse banken, in alweer een extra overleg.

Op de PVV na zijn alle politieke partijen pro-Europees. PvdA, VVD, CDA en zelfs SP willen de interne markt, (banken)regulering en economisch toezicht. Met lijsttrekkers die lichtvoetig hun pro-Europese premierwaardigheid etaleren, levert Europa weinig debat op.

De gevoelige vragen waarover het wel kan gaan, zijn: wat voor Europees model willen de partijen? En hoe ver zijn ze bereid te gaan om ongewenste ontwikkelingen te keren? Er zijn drie ontwikkelingen die partijen niet goed lijken te zien, of waarover ze niet goed communiceren.

1De eerste gevaarlijke tendens zit verscholen achter de discussie over de politieke unie. Deze discussie betreft vooral de zeventien eurolanden. De paradox is dat de verdiepte integratie ons vooral koppelt aan de zuidelijke landen. Noord-Europese vrienden als Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zweden zitten juist niet in de euro. De politieke unie met de zeventien eurolanden geeft een zuidelijke ondertoon die Nederland waarschijnlijk juist niet wil. De afgelopen top toonde de gevaren hiervan. Nederland wil vooral toezicht regelen op banken en overheden. De zuidelijke landen zijn vooral bezig met het zoeken naar lagere rentelasten en het bevorderen van de groei via investeringen. De top tastte ook de positie aan van de trojka, met daarin het Internationaal Monetair Fonds en de Europese Centrale Bank als toezichthouders. Welke prijs wil het CDA van minister De Jager (Financiën) betalen om niet het Zuiden te worden ingerommeld?

2De tweede bedreiging is dat de Europese Unie intergouvernementeler wordt. Nederland is traditioneel voor een onafhankelijke, sterke Europese Commissie en hielp om het economisch toezicht onder te brengen bij eurocommissaris Rehn. Rutte heeft herhaaldelijk het belang van ‘communautaire’ samenwerking benadrukt, omdat Nederland anders onder de voet wordt gelopen door grote landen. Toch zien we juist een tendens in de richting van de door Frankrijk gewenste intergouvernementele samenwerking. De noodfondsen berusten bijvoorbeeld op afspraken tussen lidstaten. Het is te verwachten dat met de wrijvingen tussen eurolanden en overige lidstaten meer onduidelijkheid zal ontstaan over wat er zal gebeuren buiten de Europese instellingen om. Staan partijen achter Europese oplossingen, bijvoorbeeld door meer zeggenschap over noodfondsen af te staan en soevereiniteit op te geven?

3Ten derde wordt de EU een overdrachtsunie. Noodfondsen zullen vast nog groter worden. Op de afgelopen top is besloten tot een groeifonds van 120 miljard euro, hoewel Nederland aandringt op verlaging van het EU-budget. Er is brede twijfel over het nut van het groeifonds, gezien het dubieuze rendement op Europese investeringen. De PvdA en de SP flirten met de groeiagenda. Wat mag dit kosten? Waarom is dit wel zinvol en het EU-budget niet? Zien ze dat er hierdoor nationaal meer moet worden bezuinigd?

Om deze Europese tendensen bij te sturen, volstaat een keurige uitwisseling van argumenten niet. We kunnen niet blijven schuilen achter de rug van Duitsland. Op de top van Europese regeringsleiders van twee weken geleden zagen we premier Rutte – en met hem de hele Kamer – overrompeld worden door Italië, Griekenland en Spanje. Kennelijk kan Rutte geen nee zeggen. Een veto tegen bijvoorbeeld een nieuwe steunoperatie is moeilijk als de Kamer niet van tevoren duidelijk heeft gemaakt dat ze de prijs van dalende beurskoersen en internationale afkeur wil betalen. De internationale druk om in te stemmen, zoals we bij het Europees Stabiliteitsmechanisme zagen, is enorm.

Politieke partijen gaan deze vragen graag uit de weg, omdat Europa dan opeens heel concreet wordt. Meer diplomatiek ingestelde politici willen voorkomen dat Nederland nog meer wordt gezien als een recalcitrant landje. Partijen met oog voor financiële markten zitten in een spagaat. De financiële wereld wil graag dat overheden de markten stabiliseren met reddingsoperaties en euro-obligaties, maar financiële experts zien ook wel de eindigheid van de schuldenlast die noordelijke lidstaten kunnen dragen.

De vraag voor verkiezingsdebatten is niet ‘ben ik voor of tegen de EU’, maar ‘hoe hard durven we het spel te spelen’? Sommige insiders in de Europese onderhandelingen zijn niet optimistisch over de mate waarin Nederland nog invloed kan afdwingen. De Jager heeft bijvoorbeeld dermate vaak gedreigd, dat hij nog maar weinig angst aanjaagt. Rutte benadrukte dat landen eerst hun bankenrommel moeten opruimen, maar partijen vroegen niet hoe ver hij zal gaan om dit te verdedigen. Kamerleden krijgen misschien een goed gevoel over hun democratische controle, maar zonder tanden is hun opstelling gewichtloos.

Hier ligt een duivels dilemma voor politici. Er staat veel op het spel, maar discussies over veto’s kunnen de Europese onderhandelingen ernstig belemmeren en de eurozone destabiliseren. Intussen moeten de verkiezingsdebatten ook bijdragen aan draagvlak voor de koers die de EU inslaat. Partijen moeten daarom beter duidelijk maken waar zij hun grenzen trekken en welke consequenties zij willen accepteren.

Adriaan Schout is hoofd EU-studies van het Instituut Clingendael.