Verkiezingen en televisie

De verkiezingen worden in belangrijke mate gewonnen of verloren op de televisie. Prachtig voorbeeld was het debat indertijd tussen Kennedy en Nixon. De radioluisteraars kozen Nixon tot winnaar. De televisiekijkers Kennedy. Die was goed geschminkt. Nixon transpireerde heftig.

Ik herinner mij nog heel goed het tv-debat in 1963 tussen Suurhoff en Vondeling van de PvdA met De Kort en De Quay van de KVP. Suurhoff en Vondeling kenden hun zaken en vielen De Kort en vooral premier De Quay fel aan. Op de radio zouden ze gewonnen hebben. Maar op de televisie verloren zij.

De kiezers vonden het onbehoorlijk dat die vriendelijke premier, die zei fouten te hebben gemaakt maar wel zijn best had gedaan, zo werd aangepakt. Zo werkt dat medium.

Een debat, via het beeldscherm de huiskamers binnenkomend, is heel wat anders dan een gevecht voor een volle roerige zaal. Wel helder, niet hard. Stijl. Een grapje. Rustig. Ontspannen. Zo moet het.

De verkiezingscampagne zal eind augustus pas echt beginnen. Het zijn de laatste drie weken, zo leert de ervaring, die beslissend zijn. En, anders dan in de vijftiger jaren, toen de tv nog in de kinderschoenen stond, is ook hier de televisie beeldbepalend.

Een ervaring: in 1977 waren er ook Kamerverkiezingen. De VVD lag op stoom, won er elke week één of meer zetels bij, zo zeiden de peilingen. Toen was er de treinkaping en de campagne werd stilgelegd. Alleen Den Uyl en Van Agt waren als minister in deze klemmende tijd zichtbaar.

Was die kaping er niet geweest, dan was de VVD niet op 28 (toch nog een winst van zes zetels) maar dik boven de 30 uitgekomen.

Een paradox: dan was het de PvdA wèl duidelijk geworden dat ook een CDA/VVD-kabinet te vormen was en waren de socialisten waarschijnlijk verstandiger geweest in hun onderhandelingen!

Er doen nu meer partijen dan vroeger mee. Er zijn ook geen echte grote partijen meer.

Het gaat nu niet eenvoudigerwijs over een kabinet van CDA en PvdA of één van VVD en CDA. Er is een reeks varianten en een parlementair meerderheidskabinet zal minstens drie of vier coalitiepartners ter steun moeten hebben.

Ook zijn er veel meer tv-zenders en omroepen dan vroeger. Die zullen allemaal proberen allerlei discussies te organiseren.

De echte politieke spraakmakers – en dat zijn alleen de VVD en de SP – zouden er verstandig aan doen hun tv-optredens te beperken. En zeker niet moeten stappen in strak geregisseerde debatten tussen zes of acht lijsttrekkers met voor ieder een paar minuten. Daar valt weinig te winnen en veel te verliezen.

Een idee voor nu: een drietal twee-debatten. Tussen Pechtold en Wilders; Buma en Samsom; en Roemer en Rutte. Zo kunnen de echte verschillen zichtbaar voor de kijkers worden gemaakt. Dan valt er inhoudelijk wat te kiezen.

Een advies: niet meedoen aan zogenaamde jolige programma’s, zoals laatst in een sportprogramma vol geschreeuw en ongein. En terughoudend over tere persoonlijke omstandigheden. In eigen propagandistische spots horen die helemaal niet thuis.

Eerst maar eens uitblazen en genieten van de vakantie.

Hans Wiegel is oud-leider van de VVD. Deze wisselcolumn op woensdag verzorgt hij beurtelings met SP-voorzitter Jan Marijnissen.