P.F. Thomése: ‘Ik wil in mijn werk verdwijnen’

P.F. Thomése: ‘De romantiek is een soort christendom zonder god’ Foto Katrijn van Giel

P.F. Thomése kreeg dit jaar de Bob den Uyl Prijs voor zijn reisboek Grillroom Jeruzalem. Met jongenskronieken, romans en een operalibretto is hij een onvoorspelbaar en veelzijdig schrijver. ‘Mijn ideaal is: steeds iets nieuws definiëren’.

P.F. Thomése (1958), de schrijver die op 33-jarige leeftijd de AKO-prijs kreeg voor zijn debuut Zuidland, ontving dit voorjaar de Bob den Uylprijs voor zijn reisboek Grillroom Jeruzalem. Tussen deze twee literaire onderscheidingen in schreef hij tien totaal verschillende romans. Wat wil deze onvoorspelbare auteur?

In 2003 boekte hij een ongekende succes met het autobiografische Schaduwkind, over de dood van zijn zes weken oude dochtertje. Maar om verkoopcijfers of roem is het hem niet te doen. „De enige waarachtige positie voor een schrijver is de guerrillahouding”, zei hij vorig jaar in zijn Verwey-lezing. Zijn ideaal is „steeds iets nieuws definiëren”, zoals Stanley Kubrick met zijn films. En er is nieuw werk van Thomése op komst: een tweede J. Kessels-roman, Het bamischandaal, een opera-libretto over een talkshow-host die op Matthijs van Nieuwkerk lijkt en De onderwaterzwemmer, “een grote roman”.

Hoe staat het met uw literaire guerrillastrijd waar uw Verwey-lezing van 2011 over ging? Wilt u echt de Che Guevara van de literatuur zijn?

„Ik ben inderdaad opgegroeid met Che Guevara-posters, met het gevoel van de grote-mensen-jungle waar je je in je eentje dapper een weg door heen moet kappen. Maar ik bedoelde dat je als schrijver een tegenstem moet laten klinken in een gebied, de massacommunicatie, dat door vijanden wordt beheerst. Die vijanden zijn de vertolkers van de eenvormigheid, van de eeuwige bevestiging van hetzelfde, de grootmeesters van het cliché. Daar moet je als schrijver tegenin. Je moet iets zeggen dat alleen door jou gezegd kan worden.”

Daarom verbaasde het me dat u zich liet strikken voor een vijfdaagse propagandareis naar Israël. Wat heeft uw bekroonde Grillroom Jeruzalem toegevoegd aan alles wat er al over het Palestijns-Israëlische conflict is gezegd?

„De problemen die er aan zo’n propagandareis kleven, heb ik tot onderwerp van mijn boek gemaakt. Aan de ene kant word je gebruikt voor – op zich onschuldige – Palestijnse propaganda waar ik me niet bij op mijn gemak voelde. Aan de andere kant bood die reis mij de gelegenheid om achter de schermen te kijken, bijvoorbeeld in Gaza waar je als toerist niet komt.

,,Ik heb de uitnodiging aanvaard uit nieuwsgierigheid naar Israël. Je hele gevoel voor recht en onrecht wordt daar op de proef gesteld. Zodra je ook maar een uitspraak doet zit je midden in allerlei dilemma’s. Ik ben altijd een liefhebber geweest van dit genre reisboeken, met Orwell als grote voorbeeld. Je hebt een heleboel schrijvers, vooral in de Angelsaksische literatuur, die ideeën en reizen combineren en ter plekke hun eigen gedachten goed onderzoeken.

,,Het gekke was dat ik in Grillroom Jeruzalem nogal kritisch ben over Israël, met name op het punt van de nederzettingenpolitiek. Ik dacht dat het boek als pro-Palestijns zou worden uitgelegd, maar het omgekeerde gebeurde. Palestina Comité-achtige figuren hebben me in de ban gedaan.”

Uw literaire guerrillastrijd richt zich tegen het populisme van media en uitgevers, maar ook van publieksschrijvers als Arthur Japin die oplagecijfers belangrijker lijken te vinden dan waarachtigheid. Waarom zet u zich daar zo tegen af?

„Cultuur is altijd strijd, niet alleen tussen groeperingen, maar ook tussen meningen en geaardheden. Het is een strijd om voorrang. Tegenwoordig krijgt ‘het volk’ voorrang. Ik vergelijk het populisme met de reclamecultuur waarin niemand mag worden uitgesloten. Reclamemakers zoeken altijd de grootste gemene deler omdat ze niet op voorhand willen zeggen: dit product is niet voor jullie, het is voor iedereen.

„Als iets voor iedereen moet zijn, kun je geen kritiek leveren. Wanneer je er zeker van wilt zijn dat iemand je product koopt, moet je hem vertellen wat hij al weet, je moet hem bevestigen in zijn kennis en ervaringen en dat staat haaks op wat ik van kunst en literatuur verwacht.

„Schrijvers die de bevestiging van het publiek willen, verwijt ik onwaarachtigheid omdat ze platitudes verkopen als diepzinnige en emotionele levenswijsheden. Zelf heb ik nog nooit een boek geschreven met de bedoeling dat 200.000 mensen het lezen. Je schrijft het boek dat voor jezelf het beste is dat je kunt schrijven, en waarvan je hoopt dat je er een paar mensen een plezier mee doet. Ik doe nooit concessies aan de vermeende smaak van het publiek.”

Als u geen concessies doet, hoe valt dan te verklaren dat uw boeken, tot en met uw recentste roman De weldoener, steeds toegankelijker zijn geworden?

„Dat heeft te maken met stilistisch vernuft. Ik vind dat ik sinds Schaduwkind veel beter ben gaan schrijven. Met uitzondering van Zuidland, hou ik meer van mijn latere dan van mijn vroegere boeken. Ik begon als schrijver met een onpersoonlijk ideaal, vandaar ook die initialen P.F. voor mijn naam. Ik wilde boeken schrijven die zonder mij konden bestaan. Dat streven werd in een klap teniet gedaan door de AKO-prijs, waardoor de banaliteit van de roem mijn deel werd. Als je dan nog probeert anoniem te blijven wordt het een pose. Maar ik beschouw mijzelf nog steeds als een intellectuele schrijver met een missie.”

Welke missie had u met De weldoener?

„Het uitgangspunt was om de romantische kitsch in mijzelf onderuit te halen. Het hele schrijverschap is een romantisch concept, maar tegelijkertijd is het aanstellerij. Ik heb een haat-liefdeverhouding met de romantiek, die aan het licht is getreden bij het schrijven van Schaduwkind, over de dood van mijn dochtertje. Ik wilde door dat boek inzicht krijgen in de afwezigheid, het verdwijnen, het niets. Daarbij bleek ik niks te hebben aan de romantische literatuur en muziek. De romantiek is een soort christendom zonder god, een vorm van volksverlakkerij om de mensen de dood door de neus te boren.”

Lijkt de componist Sierk Wolffensberger uit De weldoener op u?

„Hij is van mijn leeftijd, woont net als ik in Haarlem en heeft een huwelijk dat met een beetje fantasie mijn huwelijk zou kunnen zijn. Maar tegelijkertijd is hij mijn angstbeeld: mijn god als ik maar niet zo iemand blijk te zijn. Hij is een alter ego dat ik heb onderzocht om er achter te komen dat een levenshouding die de zuiverheid van de kunst boven alles stelt, leidt tot afwijzing van het leven ten faveure van een fantasma dat je najaagt.”

Toch is dat fantasma, een bijna religieus verlangen naar zuiverheid, vanaf het begin een thema in uw werk.

„Je kunt als atheïst een religieus gevoel hebben zonder een god te aanbidden. Het gaat om een behoefte aan overgave en zelfverlies, een oefening in verdwijnen, zoals je dat ook kunt vinden in kunst, seksualiteit en liefde, maar vooral in kunst. Noem het een mystiek verlangen naar verlossing.

,,Ik zou in mijn boeken willen verdwijnen, zoals Stanley Kubrick in zijn films. Voor kunstenaars als hij, die in staat zijn steeds iets nieuws te definiëren, heb ik grote bewondering. Kubrick leidde een teruggetrokken leven, ook uit angst om opgevreten te worden door te veel aandacht. Aan de ene kant is er niets mooiers dan aandacht als je iets gemaakt hebt, maar aan de andere kant weet je dat het je verpest als je er aan toe geeft. Je moet je verzetten tegen lof.”

Door voortdurend van genre te wisselen en bijvoorbeeld met een schunnig jongensboek te komen als J. Kessels: The Novel?

J. Kessels: The Novel gaat terug op de tijd dat ik als twintigjarige verslaggever bij het Eindhovens Dagblad werkte en Amerikaanse gonzo-journalisten als Hunter S. Thompson mijn helden waren. Later heb ik in de literatuur ook altijd gezocht naar de energie die je vindt in jazz en popmuziek, dat stuiterende wat Céline en Louis Paul Boon hebben, maar dat verder weinig voorkomt. In J. Kessels: The Novel zit een drukte en een snelheid die de meeste teksten niet hebben.

„In het najaar verschijnt een nieuwe J.Kessels-roman, Het Bami Schandaal waarin ik speel met allerlei genres: van thriller tot Chinese vechtfilms en porno. Kessels is verdwenen in Shanghai en ik word opgezadeld met een onbenullige, zwaar pornoverslaafde Tilburger om hem op te sporen.

„Nieuw is ook dat ik voor het eerst van mijn leven een opera-libretto heb geschreven, voor componist Martijn Padding, bedoeld voor het Holland Festival 2014. Het is een tragikomisch noodlotsdrama. Hoofdpersoon is een talkshow-host met sexappeal, zoals Matthijs van Nieuwkerk of Jeroen Pauw. Hij heet Robbert, zoals in mijn roman Vladiwostok!

Waar wilt u uitkomen als schrijver?

„Onderweg blijven, nergens aankomen. Maar er zijn wel boeken die ik nog wil schrijven en waarvan ik voorzichtig al iets uitgeprobeerd heb. Ik werk aan een grote roman, De onderwaterzwemmer , en ik heb nog een reisboek in gedachten met als werktitel Mijn zwager in Dubai, over onze verhouding tot geld. Maar als ik morgen dood ga wil ik toch liever De onderwaterzwemmer afhebben dan dat verhaal over geldscheppen in Dubai.”

Waarom bent u zo met de dood bezig? Is dat hypochondrie of gaat het dieper?

„Hypochondrie is wel een neiging die ik moet onderdrukken. Maar ik denk dat mijn schrijverschap oorspronkelijk veel te maken had met de misvatting dat je er de onsterfelijkheid mee kunt bereiken of onkwetsbaarheid tegen dood en onheil. Als scholier en beginnend schrijver had ik het gevoel: als ik boeken ga schrijven ben ik af van het gezeik waar gewone mensen onder lijden. Ik dacht dat een schrijversleven een bijzonder leven zou zijn, gevrijwaard van aardse plagen en ellende. Voor jongeren die nu een boek gaan schrijven ligt dat totaal anders, die willen vooral beroemd worden.”

U kunt het interview hier verder lezen.