Knuffelvlaming tegen wil en dank

Nederlanders kicken op alles wat Vlaams is. Maar zij zullen toch echt zelf uit hun culturele dal moeten klimmen, betoogt Stijn Sieckelinck.

Het is weer 11 juli*, de Vlaamse feestdag. Dus vraag ik: willen alle Nederlanders die een Vlaamse stem in de TomTom hebben opstaan? Willen van de enkele overblijvers (die wellicht geen rijbewijs hebben) diegenen opstaan die de komst van Jan Leyers in Zomergasten een meesterzet vinden? En willen de mensen die nu nog zitten dan even uitleggen waarom zij Vlamingen geen geweldig volkje vinden? Dat zal nog niet meevallen in een publieke opinie die door benauwende Vlaminglikkerij gekenmerkt wordt. Het enige tegengeluid moet van een Vlaming zelf komen. At your service. Ik betoog dat de knuffelvlaming tijdelijk afleiding en opluchting biedt tegen de verhuftering en de korte lontjes, maar dat op hij op langere termijn alleen maar tot teleurstelling kan leiden.

Eerst nog een succesverhaal. De trein kennen we allemaal als de plek bij uitstek waar korte lontjes tot ontbranding komen. Maar niet die dinsdag op het traject van Den Haag naar Haarlem waar een zwoele Gentse tongval door de luidsprekers klonk. Zelden had de mededeling dat er vijftien minuten vertraging waren opgelopen verleidelijker geklonken. Het gebruik van Vlaams in de trein of in de auto laat zien dat Vlaams niet alleen ‘leuk’ is, maar ook nuttig kan zijn. In situaties van spanning of conflict is het de kunst om doelgericht in te grijpen zonder te frustreren. Dan kan een taaltje dat mensen tot rust brengt wonderen doen. Hier werd een hele trein ingepakt, strikje eromheen en in vervoering gebracht – met vertraging weliswaar, maar wie maalde daar nog om?

Hollandse korte lontjes worden met gemak geblust door ‘dat schattige taaltje’. Maar er is ook een minder praktische, meer cultuurfilosofische reden waarom de Vlaming in Nederland mag floreren. Zonder af te willen doen aan de individuele kwaliteiten lijkt er toch wel iets groters aan de hand. Beschouwen we de Nederlandse opmars van Peter Vandermeersch, om maar iemand te noemen. Een uitstekend vakman, met een slordig-intellectuele verschijning die het ook nog goed doet op tv. Maar bovenal iemand die zich in al zijn uitlatingen met veel zorg en nauwkeurigheid van de Nederlandse taal bedient. En dat is Nederland niet meer gewend. Taal moet vooral direct zijn, niks aan de verbeelding overlaten en de grofgebekten hebben de halve wereld. Zou het kunnen dat de andere helft daar zo stilaan doodmoe van aan het worden is?

Want wat zegt het eigenlijk dat Nederlanders met drie keer zoveel sprekers en exact hetzelfde woordenboek zo kicken op het Vlaams? Een mogelijke verklaring zit in wat ik het eigen Nederlandse cultuurverzuim zou willen noemen. Tien jaar lang bakkeleien over de multiculturele samenleving is min of meer in een status quo geëindigd, maar kent ook een duidelijke verliezer en dat is de eigen Nederlandse cultuur. Want door zo gefixeerd te zijn op de zogenaamde achterlijkheid van wie er allemaal binnenkwam, leek men even vergeten om de eigen cultuur te voeden en in de gaten te houden. Dat zal de Vlaming overigens niet gauw overkomen. Die houdt constant zijn taalgrens in de gaten. Het is geen populaire gedachte (dus past u ermee op in de trein), maar de fijngevoeligheid voor taal heeft hij natuurlijk in de eerste plaats aan de Franstaligen te danken, de grote vijand in de taalstrijd om de verfranste rand rond Brussel. In Nederland is van dergelijke strijd geen sprake en wordt de taal gewoon verkwanseld waar men bijstaat. Taal is cultuur en cultuur wordt voor een belangrijk deel gevormd door taal. Een Nederlandstalig volk dat boekenwinkels inruilt voor ‘Read-shops’ heeft aan ongeletterde inwijkelingen (Vlaams voor immigranten, red.) weinig lessen te leren zou je denken.

Hoe nu verder? De tegenhanger van de ongeletterde inwijkeling is de knuffelvlaming. En net als bij de inwijkeling zitten er op korte termijn voor de Nederlander enkel voordelen vast aan deze coup de foudre. Maar op langere termijn is onze gezamenlijke toekomst hoogst ongewis. Deze kalverliefde doet immers beide partijen tekort. Ik noem twee redenen waarom de huidige Vlaminglikkerij kritischer zou moeten worden benaderd. De eerste dient de gast, de tweede de gastheer.

Ten eerste ligt er een zekere instrumentalisering van de Vlaamse charme op de loer. En als er iets is wat Vlamingen niet begrijpen van Nederlanders dan is het wel de koopmansgeest om alles en iedereen als middel in te zetten. De knuffelvlaming is de ruilmunt voor de kosten die zijn opgelopen doordat de hufters de publieke ruimte hebben veroverd. Of het nu de VARA of de NS is, het gaat erom dat de cijfers niet liegen: Nederlanders gaan zich prettiger voelen als ze Vlaams horen. Een betere buffer tegen de uitspattingen van de onvoorspelbare, ontevreden burger is nauwelijks denkbaar. Maar doet het wel voldoende recht aan het wondermiddel zelf, de Vlaming?

Ten tweede is het importeren van de media-Vlaming vanuit Nederlands oogpunt slechts een lapmiddel. Nederland zal toch echt zelf uit haar culturele dal moeten klimmen. Natuurlijk kan het daarbij hier en daar beroep doen op een touw of een klimhaak die door de buren wordt toegeworpen. Maar dit ontslaat het Nederlandse volk niet van de plicht om enig serieux in het eigen taalgebruik terug te brengen of het taalgebruik zo te innoveren dat het het verdedigen waard wordt geacht. Vlamingen op slinkse wijze binnenloodsen is zoals spieken op het examen Nederlands: dankzij je buurman wordt een zesje gehaald, maar wat ongezien en onbenoemd blijft, is dat men zichzelf stevig tekortdoet omdat men zo helemaal niks opsteekt.

Dus, lieve mensen, alsjeblieft, wilt u ophouden om alles wat uit België komt geweldig te vinden omdat het uit België komt? Want dat is even pijnlijk als wanneer Vlamingen alles wat Nederlands is afwijzen omdat het Nederlands is. Bovendien doet het geen recht aan waar Nederland vandaan komt en waar het toe in staat zou kunnen zijn. Voor dit hogere doel is ondergetekende zelfs bereid om de eigen verworven – niet geheel onaangename – knuffelstatus op te geven.