Column

Historie in de vuilnisbak

Onder de kop ‘Een officier schrijft aan zijn vrienden’ verscheen op 26 februari 1949 een lang artikel in De Groene Amsterdammer over misdaden die Nederlandse militairen hadden begaan in Indonesië. De schrijver van het artikel was ter plaatse getuige geweest. Er was sprake van standrechtelijke executies en uithongering van dorpen. Ook de daden van de later berucht geworden kapitein Raymond Westerling werden genoemd.

De onthullingen veroorzaakten een orkaan van verontwaardiging tegen de onthuller. Hiermee leek de zaak gesloten. De schrijver, Ko Zweeres, was ornitholoog en journalist. Ik heb hem later leren kennen bij het Algemeen Handelsblad. Daar werd hij de ‘vogeltjesredacteur’ genoemd. Het was een man bij wie geen kwaad zat. Aan zijn oprechtheid hoefde je niet te twijfelen.

Op het ogenblik van de publicatie was de oorlog al verloren. De soevereiniteit was overgedragen aan de Republik Indonesia. Nederland was overgegaan tot de orde van de dag.

Twintig jaar gingen voorbij. Op 17 januari 1969 verscheen de psycholoog dr. J.E. Hueting in het programma Achter het nieuws van de VARA. Hij was als dienstplichtig militair in Indonesië getuige geweest van martelingen, moord op krijgsgevangenen enzovoort. In zijn proefschrift had hij zich afgevraagd waarom in Nederland zelfs nooit een begin was gemaakt met een onderzoek naar ‘de oorlogsmisdaden’. Ook deze uitzending veroorzaakte een schuimbekkende verontwaardiging.

Deze keer kwam er evenwel een serieus vervolg. Fractievoorzitter Joop den Uyl van de PvdA vroeg het kabinet tekst en uitleg. Premier De Jong wilde ook een „zo groot mogelijke klaarheid” en beloofde een onderzoek. Het resultaat hiervan is De Excessennota, die is verschenen in juni 1969. „De regering betreurt dat zich excessen hebben voorgedaan, maar zij handhaaft haar opvatting dat de krijgsmacht als geheel zich in Indonesië correct heeft gedragen.” De herdruk van deze nota is verschenen in 1995, met een uitvoerige inleiding van historicus Jan Bank.

Al jaren voor de uitzending van de VARA waren twee Indiëveteranen, de sociologen J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, begonnen met het op schrift stellen van hun ervaringen. Er ontstond stagnatie, maar misschien kregen ze door de verklaringen van Hueting nieuwe energie. In 1970 hadden ze hun boek Het Nederlands/Indonesisch conflict. Ontsporing van geweld voltooid. Het werd gepubliceerd, met als resultaat nieuwe stormen van verontwaardiging.

In 1988 verscheen de epiloog, deel twaalf, tweede deel van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van dr. L.de Jong, met als laatste hoofdstuk ‘De worsteling met de Republiek Indonesië’. Ook De Jong besteedt uitvoerig aandacht aan de ‘excessen’. Opnieuw was er verontwaardiging.

Je zou denken dat onze publieke opinie er 62 jaar na alle onthullingen langzamerhand aan gewend is dat niet iedere Nederlandse soldaat zich destijds heeft gedragen volgens de regels van het oorlogsrecht en dat de jongere generaties zich wat dit aangaat hebben neergelegd bij de feiten. Dit is een vergissing. Gisteren publiceerde de Volkskrant een paar foto’s uit het album van een Enschedese soldaat. Hierop is te zien hoe Indonesiërs door Nederlanders worden geëxecuteerd. Op een andere foto staan lijken in een greppel. Deze foto’s zijn gevonden in een vuilnisbak, door een medewerker van het Stadsarchief Enschede, en getoond aan deskundigen van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Zij verklaarden dat ze nooit eerder dergelijke beelden hebben gezien. Intussen zijn ze ook op internet verschenen. Daarna is op websites een discussie losgebarsten die doet denken aan twintig jaar geleden.

Voor mij zijn deze foto’s oud nieuws. In 1949 was ik als huzaar eerste klas gedetacheerd bij de Leger Film- en Fotodienst, die me had uitgeleend aan het Bureau Vaste Staven Troepenschepen. Ik draaide speelfilms af op het achterdek van de Kota Inten, onder meer divertissement als The Flying Deuces, waarin Stan Laurel en Oliver Hardy het Vreemdelingenlegioen ingaan, en ook Easy Money, een film over het oplichten van de voetbalpool. Hiervan begrepen de soldaten niets. Door de invloed van de christelijke partijen was de voetbalpool hier verboden – kleinigheidje. Op de heenweg moesten die paar duizend soldaten hun vuurdoop nog ondergaan. Ze keerden terug als veteranen. Een aantal van hen was zwaar gewond.

Daar aan boord heb ik voor het eerst dergelijke gruwelfoto’s gezien – niet een paar, maar ettelijke. Voor zover ik me herinner, werden ze me niet getoond met trots, maar als bewijzen van ervaring.

Ook dit valt te begrijpen. Voor de eerste lichtingen die naar Indonesië werden gestuurd, was hun jeugd congruent verlopen met de oorlog. Tot hun opvoeding hoorde het dagelijks gebruik van geweld, vaak in hun onmiddellijke omgeving. Nauwelijks was de Tweede Wereldoorlog afgelopen of het bevrijde Nederland begon aan de andere kant van de wereld zijn eigen oorlog, tegen de beste internationale adviezen in. Binnen vier jaar zijn omstreeks honderdduizend soldaten terechtgekomen in de gevaarlijkste en moeilijkste situaties. Natuurlijk heeft een zeker aantal van hen niet gehandeld volgens het oorlogsrecht.

Het obstinate deel van het volk – onderschat het niet – heeft al het mogelijke gedaan om te verhinderen dat dit nationale probleem zou worden opgehelderd, maar er is nog een belangrijke vraag. Zijn de politici die toen de besluiten namen verantwoordelijk voor de wandaden die nu weer opschudding wekken? Deze vraag is zelden gesteld, maar wel goed beantwoord, onder anderen door Jacques de Kadt in zijn De Indonesische tragedie. Het treurspel der gemiste kansen (1949).

In de Verenigde Staten is een oeuvre gemaakt aan speelfilms en documentaires over Vietnam. Hier zoeken we nog altijd ruzie over wat we toen hebben gedaan in Indonesië – nu ook in de vuilnisbak.