Hier woont rijk nog pal naast arm, maar ze ontmoeten elkaar nergens

De afstand tussen bevolkingsgroepen in Nederland groeit. Arme en gegoede buurten liggen anno 2012 nog zelden naast elkaar, blijkt uit gegevens van het CBS. In Eindhoven is er nog wel zo’n abrupte overgang. Komende weken doet deze krant verslag uit de Gaspeldoornbuurt en de Resedabuurt.

Hier wonen ze in sociale huurhuizen die allemaal dezelfde crêmekleurige voordeur hebben. Hier is een op drie huishoudens van buitenlandse afkomst. Hier rijden ze een Opel Corsa of een Opel Vectra of een Suzuki Alto, als ze al een auto hebben.

Daar heb je geen straten maar lanen. Huizen zijn daar vrijstaand of twee-onder-een-kap en kosten vier ton tot anderhalf miljoen euro. Daar rijden ze een Saab of een Lancia of een Toyota Prius, soms meerdere auto’s per woning. De enige buitenlander is een expat uit Azië en die is altijd op reis.

Twee buurten in de Eindhovense wijk Stratum. Allebei te klein voor een eigen naam. Noem ze maar naar de belangrijkste straten: de Resedabuurt en de Gaspeldoornbuurt. Een volksbuurt en een gegoede buurt. Pal naast elkaar. Dat was tot honderd jaar geleden heel gebruikelijk in Nederlandse steden. Tegenwoordig zie je het nog zelden: twee buurten met zulke grote inkomensverschillen die tegen elkaar aan schurken.

Kijk maar naar de kaart van Nederland die op postcodeniveau de demografische gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laat zien. Neem het bruto maandinkomen per persoon. De rijksten wonen in buurten met een inkomen boven de 7.500 euro. De armsten in buurten met een inkomen van minder dan 2.000 euro. Ze liggen nooit naast elkaar.

In Nederland loopt een armere buurt als vanzelf over in een iets rijkere buurt, die grenst aan een weer iets rijkere buurt of een net iets armere buurt. Dat gaat zo eindeloos door. Als het Nederlands landschap. Schijnbaar vlak. Zorgvuldig verkaveld. Soort bij soort.

De Resedabuurt en de Gaspeldoornbuurt vormen een zeldzame uitzondering. Hun bewoners doen hun boodschappen in dezelfde Albert Heijn. Ze halen hun ijs bij dezelfde ijssalon. Maar ze ontmoeten elkaar nergens. Niet echt.

Ook niet op de basisschool die op de scheidslijn staat van de twee buurten, op een hoek van de dure buurt. Die openbare school trekt voornamelijk kinderen van de overkant, uit de huurhuizenbuurt. Bewoners van de dure buurt sturen hun kinderen liever naar de Talisman, een katholieke school, verderop in de wijk.

De twee buurten zijn vreemden voor elkaar. „Voor geen goud”, zou Corrie Piketh uit de Resedabuurt aan de overkant willen wonen. „Liever arm en gezellig. Daar wonen heel andere mensen.” Jeannet Mourik uit de Gaspeldoornbuurt wandelt regelmatig door de volksbuurt. Maar haar meeste medebewoners komen er alleen als ze er moeten zijn. Dus nooit.

Twee buurten, twee werelden.

Eén mening delen ze in de twee buurten. Al weten ze dat niet van elkaar. Ze wonen op de beste plek van Eindhoven. Vlak bij de stad, dicht bij de bossen, in de buurt van de uitvalswegen. Ook bij zwembad, kunstijsbaan, sportvelden.

Segregatie van bevolkingsgroepen nam in de twintigste eeuw steeds verder toe, zegt Beate Völker, hoogleraar sociologie van het sociaal kapitaal aan de Universiteit van Utrecht. Ondanks pogingen van de overheid om arm en rijk te mengen. „Dat is niet erg gelukt. Soort zoekt soort, dat is een heel basaal principe. Een kwestie van inkomen, maar ook van opleiding en afkomst. Mensen wonen graag met mensen die op hen lijken. Dat is veilig en vertrouwd.”

Gemengde wijken leiden lang niet altijd tot samenleven, zegt Fenne Pinkster, onderzoeker bij de afdeling geografie, planologie en internationale ontwikkelingsstudies aan de Universiteit van Amsterdam. „Maar in elk geval zien de verschillende bewoners dat er ook mensen zijn die anders zijn dan zijzelf. Als rijk en arm in verschillende wijken wonen, weet je zeker dat er geen contacten ontstaan.”

De levensader van de volksbuurt is de Resedastraat. Ook de andere zeven straten dragen namen van planten, zoals clematis, appelbloesem en papaver. De helft van de 201 rijtjeshuizen heeft zowel voortuin als achtertuin. In de 54 flatwoningen hangen de planten over het balkon.

Ook een rijtje woningen aan de Floralaan-West hoort feitelijk tot de buurt. Maar als buurtbewoners het over hun buurt hebben, tellen ze die huizen niet mee. Het zijn geen huurhuizen meer sinds woningbouwvereniging Wooninc ze verkocht. Kopers aan de Floralaan-West kijken neer op huurders, zeggen de huurders. Huiseigenaren zijn bang voor achteruitgang van de buurt. Dat drukt de koopprijs van hun huis.

Wijksteunpunt en ontmoetingsruimte Plein 1 is bedoeld voor meerdere volksbuurten, ook voor de Resedabuurt. Vrijwilligers geven er Nederlandse en Arabische les. Kinderen kunnen er knutselen. Volwassenen maken er 3D-kaarten en zingen er samen liedjes van vroeger. Elk jaar is er groot feest en een kerstmarkt met wel dertig kramen. Allerlei nationaliteiten zijn met hapjes vertegenwoordigd.

Wat een buurt is, bepaalt niet de gemeente. Dat doen de bewoners. Een buurt is het gebied dat door bewoners als eenheid wordt ervaren.

In die betekenis is de duurdere buurt aan de overkant van de Roostenlaan geen buurt, eerder een samenraapsel van zes straten. Samen misschien tachtig huizen. Uitsluitend geografisch een geheel.

Een deel van de huizen is begin jaren 50 gebouwd, zoals in de Gaspeldoornlaan. Andere staan er sinds begin jaren 60, zoals aan de Floralaan-West. Met eigen oprit en brievenbus aan de straat. En dan heb je de kapitale villa’s aan de Vogelkerslaan. Achter hoge hekken. Elektronisch beveiligd. De villabewoners willen niet praten over ‘hun buurt’. Hoezo buurt?

Huiseigenaren in de Gaspeldoornbuurt kennen elkaar van gezicht, maar ze kennen niet elkaars verhalen. Ze gaan niet bij elkaar op de koffie. Ze voelen zich wel verbonden. Als er wat is, kunnen we altijd bij elkaar terecht, zeggen ze. Moet iemand een boom snoeien, of zijn de pannen van het dak gewaaid, er is altijd een buurman die wil helpen. Functioneel contact.

Het jaarlijkse grasveldfeest pakken ze in de Gaspeldoornlaan groots aan. Samen met de Kortonjolaan aan de overkant van het grasveld. De een regelt hapjes, de ander een springkussen, weer een ander een theatershow. Het is het enige jaarlijkse buurtevenement.

In deze buurt hebben bewoners het altijd druk. Overdag werken ze, meestal allebei. ’s Avonds hebben ze hun handen vol aan de kinderen. Hier wonen voornamelijk gezinnen, van alle leeftijden. Nauwelijks alleenstaanden. De grote voor- en achtertuinen liggen er keurig onderhouden bij.

Dat kun je niet zeggen van alle tuinen in die volksbuurt aan de overkant. Vertegenwoordigers van de woningbouwvereniging en het huurderscomité houden een buurtschouw. Ze inspecteren gangen en tuinen. Drie uur lang brengen ze alle sporen van verwaarlozing in kaart. Kapotte, stinkende vuilniszakken achter de huizen. Onkruid dat kniehoog in de voortuin staat. Overhangende bomen en verwaarloosde heggen die de doorgang belemmeren.

Zo is het niet altijd geweest, zeggen bewoners die hier langer wonen. Zo hoeft het hier niet te zijn. Dit was van oorsprong een betere arbeidersbuurt. Er woonden ambachtslieden, ambtenaren, politieagenten.

In de loop van de jaren veranderde de samenstelling van de buurt. Lage huren trokken mensen met lage inkomens. Zoals eenoudergezinnen en buitenlanders. Op voordeuren en achterpoorten verschenen stickers met afbeeldingen van vervaarlijke honden. ‘Ik heb maar 5 seconden nodig.’ ‘Betreden op eigen risico.’ ‘Hier is er maar een de baas. Dat ben ik.’

Op de ruit van een voordeur hangt een briefje: ‘Postbezorger. Doet u de post goed door de brievenbus. Er is tuig dat het nodig vindt om de post uit de brievenbus te halen. Dank u.’

Het verval kwam in een stroomversnelling, zeggen bewoners, toen de woningbouwvereniging vier jaren geleden aankondigde dat de buurt tegen de vlakte moest. Er zou vervangende nieuwbouw komen.

Die dreigende kaalslag leidde tot groot verloop in de buurt. Veel bewoners zochten elders hun heil, aangemoedigd met verhuispremies. Vrijkomende woningen verhuurde de woningbouwvereniging aan tijdelijke bewoners die een tijdelijk huurcontract kregen. Stellen en alleenstaanden. Voorbijgangers zonder binding met de buurt. Zij bewonen nu 65 panden. Een kwart van de buurt.

Ook bewoners die bleven, verwaarloosden het onderhoud van hun tuinen. Waarom zouden ze nog nieuwe planten kopen? Waarom zouden ze al die moeite doen. Ook verbouwingen en schilderbeurten schoven ze op de lange baan.

Maar sloop en nieuwbouw staan opeens op losse schroeven. Financieel niet haalbaar meer. Dit jaar nog horen de bewoners wat er dan wel met de buurt gaat gebeuren. De meesten hopen op een beperkte renovatie. Ook niks doen vinden ze best. Ze willen hun oude buurt terug. Fatsoenlijk en sociaal.