Grondige mensen

Nienke Denekamp volgt deze zomer wekelijks wat er opbloeit in een nieuw gezamenlijk stadslandbouwproject in Amsterdam. Illustratie Lobke van Aar.

Of we erop willen toezien dat de werklui van de studio niet nog meer onherstelbare schade in de tuin aanrichten. Dat vraagt de Amerikaanse stadstuinier in een mail aan het tuincollectief. Frambozen- en bessenstruiken zijn onder de voet gelopen. In de pas ingezaaide bloembedden liggen stukken afvalhout. „Wie heeft tijd om de appelboom te redden die tegen het hek wordt gedrukt door een berg metaalpuin?”

De Amerikaanse is de enige overgebleven tuinier van het vorige tuincollectief aan de Buiksloterweg 5a en b. Dat was een kunstproject waar iedere buurtbewoner tien vierkante meter helemaal naar eigen wens mocht bebouwen. De initiatiefnemer ervan was een kunstenaar met een witte hoed. Met sandwichborden ging hij op de pont op zoek naar buurtgenoten die zin hadden in een tuintje. ‘Grondige en aardige mensen’ zocht hij, ‘die met elkaar het avontuur aan willen gaan.’

Met de komst van de huidige huurders van het pand, een platenmaatschappij en een geluidsstudio, verdwenen ook de buurttuiniers. Op de Amerikaanse na. Haar tuin, die in de nieuwe indeling ineens onhandig dwars voor de ingang ligt, is al drie jaar oud. Het is volwassen permacultuur, een tuin die zichzelf in stand houdt. Die bakken met rottend tuinafval ernaast bevatten goud, waar de arme grond van de Tolhuistuin enorm van is opgeknapt. Ook met de met water verdunde urine heeft de Amerikaanse stadstuinier veel goeie dingen bereikt. Er staan meer dan twintig cultivars in, waar ze vorig jaar vier tot vijf dagen in de week met twee personen van heeft kunnen eten. Ze heeft het tuintje dan ook Slim Pickins genoemd.

Klinkt leuk, zo’n permacultuur, maar het ziet er natuurlijk niet uit, zegt een van de studiogasten. Hij adviseert een gazon, houten vlonders en extra parkeerplaatsen op de plek waar iemand net een pak biologisch bijenmengsel heeft leeggeschud.

Ik zie de tuin door zijn ogen en zie kuilen, modderpoelen en ingeklonken klei, waar al een Hemaschepje en een Intratuinschepje op zijn gebroken. Over aarde had ik nooit eerder nagedacht. Heel even misschien, als ik weer eens een zak van tien liter schone potaarde naar mijn balkon zeulde. „Succesvol tuinieren staat of valt met gezonde grond”, lees ik echter in het net aangeschafte Tuinieren voor beginners.

In het hoofdstukje De chemische grondbalans staat dat de zuurtegraad makkelijk is te bepalen met een grondtestsetje uit het tuincentrum, zodat ik vervolgens de juiste beplantingskeuzes kan maken. Zenuwachtig denk ik aan de 27 verschillende dahliaknollen die ruim voor IJsheiligen in de grond zijn gezet. Willen die wel groeien in deze al dan niet vervuilde grond? En dan die enorm dikke wormen. Zijn die monsterwormen een goed teken of juist een heel slecht teken?

„Omspitten en egaliseren dan maar?”, zegt de platenjongen die de tuin aan ons heeft uitbesteed en van oorsprong van het platteland komt. Wie zullen we daar nu eens voor vragen? Niks ervan, zegt de Amerikaanse stadstuinier. Bij vervuilde grond moet je juist niet gaan spitten, maar afdekken met een nieuwe laag. Scheelt ook nog eens in onkruid.

Een vriend, vers van de pont, komt vragen of ik mee ga naar een interessante lezing over amateurfilms in het nieuwe Eye-gebouw.

Ik kijk naar mijn vieze handen.

Vandaag maar even niet.