Export groeit fors, maar bijdrage aan economie stokt

Investeringen van Intel in chipmachinemaker ASML en de geplande komst van BMW naar Born laten zien dat de maakindustrie er nog steeds toe doet. Duur maar slim, dat is het bedrijfsmodel van Nederland.

De miljardeninvestering van chipmaker Intel in ASML uit Veldhoven en de verregaande interesse van BMW om Mini’s te bouwen in de fabriek van NedCar in Born zijn een herinnering. Nederland kan dingen maken, tastbare producten met stekkers en uitlaten, in elkaar geschroefd en gelast in fabrieken met schoorstenen. Dat we het weten.

In grote delen van Nederland is deze les nooit vergeten. Zoals in Krimpen aan den IJssel. Ondanks de opkomst van Chinese reuzenwerven in Dalian en Nantong worden de technisch meest geavanceerde snijkopzuigers voor de baggerindustrie gemaakt bij IHC.

Export is cruciaal voor de Nederlandse economie. Zonder giganten als ASML en dwergen als Bronkhorst High Tech uit Ruurlo zou de Nederlandse economie er nog beroerder voor staan. Kijk maar naar de prognoses van het Centraal Planbureau in de voorjaarsraming van juni. Voor de crisis droegen uitvoer, overheidsbestedingen, consumentenuitgaven bij aan de groei van het bruto binnenlands product. Nu de koopkracht daalt en de huizenmarkt op zijn gat ligt, zijn consumenten even uitgespeeld. Omdat de overheid de komende jaren miljarden moet bezuinigen, blijft volgens het CPB alleen uitvoer over als groeimotor. Van de gemiddelde groei van 1,5 procent voor de komende vier jaar, komt 80 procent van de uitvoer.

Vraag het directeuren van Nederlandse uitvoerkampioenen en ze zullen het allemaal zeggen: we zijn niet goedkoop, wel slim. Dat blijkt ook uit een onderzoek van De Nederlandsche Bank van januari dit jaar. DNB bekeek de ontwikkeling van arbeidskosten per eenheid product, een goede graadmeter van het concurrentievermogen van een land, vanaf 1998. Nederland zit in de grijze middenmoot. Duitsland en Oostenrijk zijn de enige landen waar de arbeidskosten in die periode daalden.

Tegelijkertijd scoort Nederland steevast hoog op lijstjes van patentorganisatie WIPO. Nederland kan in het aantal patentaanvragen per jaar niet mee met de wereldtop (Japan, VS, China, Zuid-Korea, Duitsland), maar houdt zowel grotere Europese economieën als Spanje en Italië als kleine innovatieve landen als Finland en Israël achter zich.

Directielid Martijn Boelens van Lely vergeleek vorige maand de melkrobots en kopeggen die hij verkoopt met de auto’s van BMW. Koop een Lely en je koopt kwaliteit en uitstekende service. Dat is de propositie waar Boelens de wereld mee afreist. En ja, daar betaal je meer voor. De keuze is aan de boer. Dat BMW zelf nu Nederland ziet als geschikte plek om auto’s te maken, laat zien dat de vergelijking van mensen als Boelens meer is dan een verkooppraatje.

Op de beurs wordt de kracht van de innovatieve Nederlandse uitvoereconomie erkend. Chipmachine fabrikant ASML is vandaag 17,8 miljard euro waard. Dat is meer dan Philips (16,5 miljard), de voormalige mede-eigenaar van ASML. Het is meer dan verzekeraar Aegon (7 miljard) en het komt in de buurt van ING (19,7 miljard), de grootste beursgenoteerde bank van Nederland. Nieuwe technologie (ASML) is groter dan oude technologie (Philips), nieuwe technologie is groter dan verzekeren (Aegon) en bijna zo groot als financieren (ING).

Ondanks succesverhalen als ASML kampt de Nederlandse uitvoereconomie met problemen. Vergeleken met twintig jaar geleden exporteren Nederlandse bedrijven meer, maar ze weten er relatief niet meer geld mee te verdienen, blijkt uit een gezamenlijk onderzoek van het CBS en het CPB. In 1990 was de totale waarde van export 56 procent van bbp. In 2009 was dat gestegen tot 69 procent. Maar de bijdrage van export aan het bbp, wat Nederland dus echt verdient aan uitvoer, bleef steken op 29 procent. CBS en CPB: „Dat komt doordat de waarde van in de export verwerkte producten uit het buitenland sterk is toegenomen. Nederlandse handelaren kopen bijvoorbeeld Chinese computers die ze aan Duitsland doorverkopen.”

Bedrijven die niet alleen doorvoeren maar zelf producten maken, hebben ook moeite om waarde toe te voegen. In 1990 exporteerde de Nederlandse maakindustrie voor 83 miljard euro goederen. Daarvan bestond 61 procent uit waarde die in Nederland werd toegevoegd. Dat is het geld dat wordt verdiend door in een fabriek in Maastricht Tsjechische, Franse en Amerikaanse onderdelen in elkaar te zetten om een eindproduct te maken dat gezamenlijk meer waard is dan de losse onderdelen. Twintig jaar later exporteerde Nederlandse maakindustrie voor 156 miljard euro aan goederen. De waarde die in Nederland werd toegevoegd bedroeg 91 miljard ofwel 58 procent.

Eveneens een probleem voor Nederland is de bestemming van de goederen. Vergeleken met Duitsland is Nederland erg afhankelijk van uitvoer binnen Europa. En die krimpen of groeien nauwelijks. Duitse bedrijven doen dat slimmer. Uit cijfers van het Duitse bureau voor de statistiek blijkt dat 16 procent van de uitvoer naar groeiwonder China gaat. Nog eens 10 procent gaat naar de VS, dat ook harder groeit dan Europa.

Azië telt voor Nederland nauwelijks mee als eindbestemming, 1,7 procent van de uitvoer gaat naar China. Het gevolg? De Duitse statistici maakten deze week bekend dat Duitse bedrijven in mei voor 92,5 miljard euro goederen hadden geëxporteerd, een toename van 3,6 procent vergeleken met april. Van zulke sprongen kan Nederland alleen maar dromen.