Direct uit het hart

De Surinaamse kunst is in opmars. Marcel Pinas, Remy Jungerman en Charl Landvreugd zijn de voortrekkers van een geëngageerde beweging die zich laat inspireren door de eigen cultuur.

Plotseling vult de ruimte zich met een warm geluid. Het is afkomstig van duizenden zilverkleurige lepels die aan nylon draadjes aan het plafond hangen. Ze bewegen zachtjes op de zwoele wind die door de open deuren naar binnen waait. Wie goed kijkt, ziet dat er op elke lepel een teken is gegraveerd. Wie iets minder goed kijkt, ziet een langzaam wiegende zilveren wolk.

De installatie van de Surinaamse beeldend kunstenaar Marcel Pinas is een blikvanger op de Kunst Biënnale in Havana. In zijn werk staat de marroncultuur centraal. De gegraveerde tekens op de lepels zijn het schrift van de N’Djuka-gemeenschap uit Marowijne in Oost-Suriname waar Pinas vandaan komt. Met de beweging op de wind maakt hij duidelijk dat de traditionele kennis behouden moet blijven en zich verspreidt.

Door zijn groeiende internationale bekendheid slaagt Pinas daar steeds beter in. In februari had hij een vernissage in Zuid-Frankrijk, in maart een expositie in Brussel, in april legde hij de laatste hand aan een theaterdecor in Frans Guyana en nu hangt zijn werk op Sci-Fi, de overzichtstentoonstelling van Caraïbische kunst in Amersfoort.

Tussen de bedrijven door reist Pinas namens het World Economic Forum als young global leader de wereld rond. Een Surinaamse kunstenaar die internationaal furore maakt; tien jaar geleden had niemand het voor mogelijk gehouden. Lange tijd werd Surinaamse kunst niet voor vol aangezien. Ja, Erwin de Vries timmerde aardig aan de weg met bronzen beelden en monumenten ter nagedachtenis van de slavernij. Als eerste zwarte kunstenaar had hij een eigen expositie in het Stedelijk Museum in Amsterdam, maar dat gebeurde in de tijd dat Suriname nog ‘gewoon’ een Nederlandse kolonie was en De Vries als landgenoot werd beschouwd.

Na de onafhankelijkheid in 1975 hadden Surinaamse kunstenaars tijd nodig om zich los te maken van het voormalige moederland. De constatering van voormalig museumdirecteur Rudi Fuchs dat de Surinaamse kunst „in de modder was blijven steken”, droeg daar niet aan bij.

Afgezien van die laatdunkende houding, Surinaamse kunstenaars bleken moeilijk te plaatsen. Ook al omdat een deel in Nederland exposeerde en de rest zich in eigen land ontwikkelde. Kunstenaars van Surinaamse origine in Nederland werden vooral geassocieerd met etnische thema’s als winti en slavernij, waar hun collega’s in Suriname het verwijt kregen dat ze zich te sterk op Nederland oriënteerden.

Daarnaast brachten de jaren tachtig, met een staatsgreep, de Decembermoorden en de Binnenlandse Oorlog, niet de ideale omstandigheden. Wie zich door middel van kunst wilde onderscheiden, moest een andere kant op. Naar Jamaica bijvoorbeeld.

Zo vertrok schilder Rinaldo Klas in 1986 voor twee jaar naar de kunstacademie van Kingston. Daar leerde hij zijn naturalistische en sterk op Suriname georiënteerde stijl met kubistische elementen te vermengen. Bij terugkeer in Paramaribo ging Klas als docent aan het werk op het Nola Hatterman Instituut. Dit instituut ontwikkelde zich gaandeweg tot een broedplaats voor talent.

Sinds zo’n zes jaar zijn er regelmatig uitwisselingen met docenten en studenten van de Amsterdamse Rietveld Academie. Ook ArtRoPa, een cultureel samenwerkingsverband tussen Rotterdam en Paramaribo, zorgt voor nieuwe impulsen. Klas, nu directeur van de kunstacademie, ziet duidelijk verschil: „Onze studenten gaan uit van de vormen en kleuren uit hun directe omgeving. Hollandse cursisten zijn gewend conceptueel te denken en te werken.”

Maar eigenlijk doen die verschillen er niet meer toe. Journalist Marieke Visser, die zich in Paramaribo al jaren bezighoudt met de promotie van Surinaamse eigentijdse kunst, spreekt van een duidelijke kentering. Ze herinnert zich vooral een bijeenkomst van beoefenaars van verschillende kunstdisciplines in Paramaribo in 2008, waar ook de in Nederland wonende Surinaamse kunstenaars Remy Jungerman en Patricia Kaersenhout bij aanwezig waren. „Die avond kwam een nieuw bewustzijn naar voren. Iedereen was het erover eens dat het voor een Surinaamse kunstenaar niet uitmaakt in welk land je werkt. Het enige antwoord is: je bent een wakaman.”

Letterlijk ‘een man van de straat’. Volgens Visser verwijst de term naar de inspiratie van kunstenaars door de eigen cultuur en die van het Caraïbisch gebied.

In 1997 kregen Marcel Pinas, Humphrey Tawjoeram, Robert Enfield en George Struikelblok van de overheid een beurs voor de Jamaicaanse kunstacademie. Daar trok Pinas vooral op met landgenoot George Struikelblok. Bij gebrek aan kopers in eigen land was Struikelblok kort daarvoor met een busje vol schilderijen naar buurland Guyana gereden. Niet dat hij er veel doeken aan de man bracht, maar het ging hem om het avontuur.

Later gingen ze samen naar een Nederlandse kunstacademie, waar ze zich met hun thema’s en technieken onderscheidden van gevestigde collega’s uit Suriname als De Vries en Rudi Getrouw. „We schilderden uit het hart, zoals we hadden geleerd in Jamaica”, zegt Struikelblok. „Het gaat toch om je eigen gevoel. Daar is de beweging Wakaman uit ontstaan.”

De belangrijkste vertegenwoordigers – naast Pinas onder meer Remy Jungerman, Charl Landvreugd en Kurt Nahar – braken eerst door in Nederland, Engeland en Duitsland vóór het in eigen land tot exposities kwam.

Terugkerende thema’s in het werk van Struikelblok zijn liefde en aandacht voor kinderen. Die keuze voert terug naar zijn eigen jeugd. Hij verloor zijn vader nog vóór hij werd geboren. Zijn stiefvader overleed toen Struikelblok twee was. Daarna brak een moeilijke periode aan waarin hij met zijn moeder talloze omzwervingen maakte.

In Struikelbloks vroege schilderijen staat de dood centraal, maar gaandeweg is het accent vooral bij het thema ‘Lob’ makandra’ (‘Hou van elkaar’) komen te liggen. Dat is vooral te zien aan de overgang van ingetogen kleurgebruik naar felle en vrolijke tinten van zijn laatste doeken en objecten. Vorig jaar zorgde hij voor een primeur in Paramaribo door via 3D-techniek beschilderde dansers uit zijn schilderij tevoorschijn te laten komen.

Recentelijk maakte Struikelblok, samen met tientallen kinderen, een installatie van kleine spiegeltjes. „Elk kind kreeg een eigen spiegeltje. Ze moesten eerst goed naar zichzelf kijken. De opdracht was om een boodschap op het glas achter te laten. Ze moesten schrijven of tekenen wat er in ze opkwam. Direct uit het hart. Op die installatie heb ik veel reacties gekregen. Sommige mensen hadden tranen in hun ogen.”

Pinas richt zich op een andere manier op toekomstige generaties. Op zijn expositie in Brussel was een combinatie van 32 skeletten en lijkzakken te zien, naast een olievat dat tot de rand toe was gevuld met menselijke beenderen en een film van asielzoekers in hongerstaking. Het roept geen vrolijk beeld op, maar dat is ook niet de bedoeling. Pinas wil zijn publiek alert maken op ontwikkelingen in hun omgeving: „Mensen hebben er zelf aan bijgedragen hoe de wereld eruitziet op dit moment. Het is belangrijk dat zo veel mogelijk mensen zich daarvan bewust worden. Ik verwacht niet dat ik hier Surinaamse politici mee in beweging krijg. Misschien dat een volgende generatie er wel naar gaat handelen.”

‘Who More Sci-Fi Than Us, hedendaagse kunst uit de Caraïben’. T/m 26 aug. in Kunsthal KAdE, Amersfoort. Inl. kunsthalkade.nl