De Schone Slaapster als feministische heldin

Lucy (Emily Browning) laat zich kenmerkend passief keuren in Sleeping Beauty

Sleeping Beauty. Regie: Julia Leigh. Met: Emily Browning, Rachael Blake, Ewen Leslie, Peter Carroll, Chris Haywood. In: 5 bioscopen.

Honderd jaar sluimeren in een paleis vol doornen, tot de kus van een prins haar wekt. De Schone Slaapster geldt als symbool van vrouwelijke passiviteit. De man gaat op avontuur en verslaat draken, de vrouw is de hoofdprijs. „Zij is opgesloten in een toren, een paleis, een tuin, een grot, geketend aan een rots; een gevangene, in diepe slaap: ze wacht”, zo schreef Simone de Beauvoir in De tweede sekse.

Sprookjes zijn in: Sneeuwwitje was dit jaar al actieheld in twee Hollywoodfilms. De Schone Slaapster, of Doornroosje, inspireert eerder tot serieuze vrouwenfilms. Catherine Breillat zag haar in La belle endormie (2010) als metafoor voor ontluikende vrouwelijke seksualiteit – de honderd jaar slaap blijkt een van glossy symboliek doortrokken, allerminst passieve droomreis. En nu, ruim een jaar na de première in Cannes, arriveert ook Sleeping Beauty van de als regisseur debuterende Australische schrijver Julia Leigh in de bioscoop.

Leigh zoekt aansluiting bij een vroege, duistere versie van de Schone Slaapster: de Italiaan Giambattista Basile tekende in de 17de eeuw een verhaal op waarin ze in haar slaap wordt verkracht door een koning en, nog steeds slapend, bevalt van een tweeling. Leigh vertelde in Cannes dat haar inspiratiebron de novelle De schone slaapsters van Yasunari Kawabata was, over een bordeel waar bejaarde heren naast gedrogeerde maagden overnachten, en Marquez’ Herinnering aan mijn droeve hoeren, over een negentigjarige hoerenloper die zichzelf trakteert op een veertienjarige.

In die verhalen worden de hulpeloze meisjes niet misbruikt, maar gekoesterd en aanbeden. Het is ware liefde; onbeantwoord, dus puur. De feministische fabel van Julia Leigh is minder positief. Net als Breillat kiest ze het perspectief van de slaapster. Studente Lucy (Emily Browning) slaapwandelt door het leven in ‘radicale passiviteit’: een glazig soort onverschilligheid. Ze scharrelt geld bijeen met suffe baantjes, met terloopse prostitutie of als medisch proefkonijn. Haar enige emotionele, hoewel in ironie gedrenkte, hechting is met een suïcidale nerd.

Lucy belandt bij een escortdienst voor perverse oude heren. Eerst schenkt ze in witte lingerie wijn bij een diner, een Kubrickachtige, lethargische orgie met naakte vrouwen als bijzettafels. Dan promoveert ze tot Schone Slaapster: gedrogeerd mag ze de nacht doorbrengen met stokoude mannen, al is het verboden haar te penetreren. „Je vagina is een tempel”, stelt de madame haar gerust.

Zo bespieden wij Lucy’s bleke lichaam, maar vooral haar geriatrische klanten. „Hier is geen schaamte. Niemand kan u zien”, krijgen zij te horen. Op ons na dan: hun onmacht en seksuele fixaties zijn fascinerend en ontluisterend. De ene grijsaard streelt Lucy vol weemoedig verlangen, een tweede zeult met haar rond als overjarige Hercules, een derde scheld en spuugt, bitter over eigen impotentie.

Deerniswekkende mannen; des te teleurstellender dat Lucy zelf zo’n vraagteken blijft. Julia Leigh, in Cannes zeer onwillig om op intentie en betekenis in te gaan, wilde haar „niet voor ons invullen”. Ze is het soort heldin dat je ook vaak in Nederlandse kunstfilms treft: zonder achtergrond, doods, introvert, in de greep van een onbenoembare existentiële leegte. En net als die films, eindigt Sleeping Beauty met een soort oerschreeuw, een wedergeboorte.

Dat is smaakvol op een wat laffe manier. Het vrouwelijke mysterie is mysterieus: net als onlangs bij Nanouk Leopolds Brownian Movement vraag je je af of je echt anderhalf uur op zo’n conclusie zit te wachten. Wie niets over zijn hoofdpersoon beweert, beweert ook geen onzin, dat is waar. Maar ik verkies dan de expliciete edelkitsch van Breillat in La belle endormie: dat getuigt van meer lef.