Column

De meeste winnaars zijn maar eendagshelden

Al tien dagen is het warmer dan 37 graden. De hittegolf aan de Amerikaanse oostkust drijft de inwoners van Washington naar de vele publieke en privézwembaden in de stad. Ik zag hoe de kleinste kinderen probeerden te zwemmen. Wat gek eigenlijk, zei ik tegen twee moeders, in Europa leren kinderen de schoolslag. Hier zwemmen zelfs de kleine kinderen al de borstcrawl, of iets wat daarop moet lijken. „Ja, en het is een onmogelijke slag”, beaamde een moeder van twee kinderen. „De kinderen gaan kopje onder en verliezen hun oriëntatie. Het is heel ingewikkeld.”

Kinderen leren toch zwemmen om niet te verdrinken, vroeg ik.

De andere moeder haalde haar schouders op. „Het gaat om de sportprestaties. Als ze jong de borstcrawl leren, worden ze goed in wedstrijdzwemmen, of waterpolo. Zo is Michael Phelps ook begonnen.”

Dit is het land waar de prestaties tellen. Niet voor niets zijn de VS tijdens de meeste Olympische Spelen de grootafnemers van medailles. In 2008, in Peking, haalde China voor het eerst sinds 1996 meer medailles dan de VS – een vernedering door de opkomende politieke rivaal waar de Amerikanen revanche voor willen. Presteren in de sport wordt de allerkleinsten aangewend als handen wassen voor het eten. In de speeltuin dicht bij mijn huis zag ik een tweejarig jongetje eindeloos voetbaltrainingen doen met een personal coach. De ouders stonden langs de lijn high fives uit te delen.

De sportprestatie telt, maar de sport is helemaal niet belangrijk. Een Amerikaan weet niets van zwemmen, kan maar weinig bijzonderheden van gymnastiek noemen en heeft oppervlakkige kennis van voetbal. American football en honkbal tellen, op afstand gevolgd door basketbal en ijshockey. Dat zijn familie-uitjes. Vergeefs zocht ik in de kranten naar nieuws over andere sporten – ze bestaan gewoon niet. De andere bijna driehonderd olympische disciplines zijn alleen van belang omdat er geoogst moet worden.

Amerikanen consumeren de Spelen zoals er gedineerd wordt: het is veel, veel, veel. In alles zijn we het tegendeel van de Fransen, schreef Adam Gopnik in The New Yorker. Die wachten tot hun sporten aan bod komen: wielrennen, of schermen. Een Amerikaan wil dat Team USA in élke sport uitblinkt. De medaillewinnaars zijn helden – voor een dag misschien. Het blijft fastfood.

De komende weken ontsnappen Amerikaanse sporters aan hun anonieme bestaan. Even is er enthousiasme over, zoals Gopnik het noemt, „atleten die we niet kennen, die meedoen aan disciplines die we niet volgen, met regels die we niet kennen”. Maar winnen zullen ze.

Correspondenten kijken elke dag vanuit de hele wereld naar de Olympische Spelen, van 27 juli tot en met 12 augustus in Londen. Daarna hervat de rubriek In Nederland.