De Bovenbazen (49)

Hij zweeg even, want aan de voet van de heuvel klonk het aanzwellende gebrul van een mammoetschuiver en een dichte stofwolk dwarrelde omhoog tot bij de boom waar Tom Poes zat. ‘Eén gram Solium!’ vervolgde hij boven het gedaver uit. ‘Geen gassen; geen vuil, geen walmende schoorstenen meer… uche, uche!’

‘Dat is fijn,’ zei Tom Poes.

‘Met jou valt niet te praten!’ schreeuwde heer Bommel tussen twee hoestbuien door. ‘Je bent jaloers. Dát is het!’

Met die woorden wendde hij zich om en stampte heen, in de richting van het bos.

Het tumult van de Soliumwinning was al spoedig niet meer te horen en slechts de wind in de bladeren verbrak de stilte die hier sinds eeuwen heerste. De boosheid van de eenzame wandelaar maakte plaats voor een diepe neerslachtigheid.

‘Er is niemand die mij begrijpt,’ sprak hij bitter tot zichzelf. ‘In stilte ben ik bezig de weldaad van de Solium over de wereld te verspreiden – door mij stijgen de mammoetaandelen en hebben vele schuiver-bestuurders werk – en wat doet men? Men noemt mij een natuurvernieler! Het is wel bitter!’

Vóór hem vloog plotseling een hamertje door de lucht. Het viel ritselend in de herfstbladeren, waar het gevolgd werd door een tangetje en enige schroeven.

‘Wat is dat?’ vroeg heer Ollie zich onthutst af. ‘Waar komen die gereedschappen vandaan?’

Hij hield de pas in en keek zoekend rond. Zodoende viel zijn blik op een oude boom die een groot gat tussen de wortels had.