Een democratisch wapen tegen Wilders' sekte

Niet alleen PVV-Kamerleden zijn blindelings gehoorzaam aan hun partijleider. Ook de fractieleden van andere partijen worden geacht om de beslissing van de partijleiding te volgen. Een ander kiesstelsel kan een wapen zijn tegen de ijzeren partijdiscipline, denkt Marcel ten Hooven.

De kwestie rond de breuk van de PVV’ers Hernandez en Kortenoeven met hun fractie onderstreept de urgentie van een sterker, eigen kiezersmandaat van Tweede-Kamerleden. In een scheldkanonnade tegen Wilders gaf het duo de vrije loop aan zijn opgekropte woede. Zo hoog kan de frustratie oplopen van Kamerleden die jarenlang als horigen aan een autoritaire leider in een sektarisch gezelschap verkeren. Voor Hernandez en Kortenoeven was de grondwettelijke bepaling dat Kamerleden worden geacht ‘zonder last’ te stemmen al die tijd een betekenisloos voorschrift. Wilders was hun lastgever en zij hadden maar te gehoorzamen, evenals hun fractiegenoten.

De term ‘sektarisch gezelschap’ is hier bewust gebruikt. De PVV is een besloten verbond, wantrouwend tegenover de buitenwereld en blindelings gehoorzaam aan één leider. Alleen al vanwege dit sektarisme zal dit genootschap nimmer evolueren tot een democratisch georganiseerde partij. Het is niet waarschijnlijk dat Wilders de eigen gelederen zal willen doordrenken van een democratisch ethos als dat haaks staat op het ware karakter van de PVV, ook mentaal. In de toonzetting maakt het verkiezingsprogramma de indruk dat het in een vlaag van woede is geschreven. Elke zin is gedrenkt in wrok dat de wereld er niet zo uitziet als Wilders wil. De kadaverdiscipline die hij de PVV-fractie oplegt, is dan ook vooral bedoeld om de Kamerleden met één mond de boosheid van de leider te laten verwoorden. Dat verdraagt zich lastig met de democratische attitude die is vereist om in het parlement als medewetgever op te treden. Een dienaar van het algemeen belang moet bereid zijn compromissen te sluiten en dat is lastig als hij tegelijkertijd vooral boos moet zijn.

Het sektarisme van de PVV doet dus ook afbreuk aan het functioneren van de Tweede Kamer en daarmee aan haar gewicht en aanzien. Met mogelijkheden om dat sektarisme te bestrijden is daarom een breder belang gediend dan alleen dat van het scherpen van de wapens tegen de PVV.

In naam van dat belang is een omvorming van het kiessysteem tot een districtenstelsel het overwegen waard. In zo’n stelsel moet elke kandidaat in zijn eigen district voor de stem van de kiezers strijden en kan hij zich, indien gekozen, in de Kamer beroepen op een eigen mandaat. Zo komt hij vanachter de rug van de lijsttrekker te voorschijn en krijgt hij een gezicht bij de kiezers. In het huidige stelsel betreden kandidaten het parlement dankzij de stemmen die de partijleider trekt, waardoor zij een eenzijdige afhankelijkheidsrelatie met hem hebben. In de PVV is dat in extremo te zien, met Wilders in de rol van de leider die wikt en beschikt over het lot van zijn volgelingen.

In een districtenstelsel ontwikkelt het parlementslid als vanzelf een band met zijn kiezers, waarop hij zich kan beroepen als de fractieleider hem tegen zijn zin in een gelid wil dwingen. Het is niet verwonderlijk dat dit kiessysteem weer in het politieke debat opdook na de revolte die Pim Fortuyn in 2002 tegen de gevestigde politieke machten ontketende. De aardverschuiving die hij postuum in de Tweede Kamer teweegbracht onthulde een vertrouwenscrisis tussen politiek en burgers. Een districtenstelsel kan helpen in het herstel van die verbroken verbinding.

De argumenten van destijds zijn nog altijd van kracht. Dat geldt óók voor de bezwaren. Het nadeel van het districtenstelsel is dat de stemmen van de verliezende kandidaten in de uitslag in het geheel niet meer meetellen. In het huidige kiessysteem van evenredige vertegenwoordiging telt elke stem, waardoor de Kamer idealiter een getrouwe afspiegeling is van de verscheidenheid aan opvattingen in de natie. Het evenredigheidsstelsel dwingt tot redelijkheid en matiging van de machtswil en legt druk op de regerende meerderheid rekening te houden met minderheden.

Daar kan weer tegen worden ingebracht dat een kiesstelsel dat de kwaliteiten van individuele kandidaten vooropzet, beantwoordt aan de tendens waarin partijen aan belang inboeten. Hoezeer men die tendens wellicht betreurt of veroordeelt, daarmee is hij nog niet weg. Het debat over staatsrechtelijke hervormingen moet mede daarom niet worden gestaakt, zeker niet nu het bestel crisisverschijnselen vertoont als een krimpend midden en een dreigende onregeerbaarheid. De opkomst van sektarische bewegingen als de PVV is een symptoom van die crisis, waartegen een sterker, eigen kiezersmandaat van Kamerleden een van de mogelijke remedies is.