De Bovenbazen (48)

Kuchend en piepend beklom hij de heuvelrand en nu viel zijn betraand oog op Tom Poes, die hem over de schouder aankeek. ‘Wat zal ik doen?’ vroeg de energiekoning zich verward af. ‘Doorlopen of groeten? Of wat?’

‘Dag heer Ollie,’ zei Tom Poes.

‘Dag jonge vriend,’ zei heer Bommel opgelucht. ‘Mooi weertje, hè? Hierboven bedoel ik. Ik bedoel, boven de wolken schijnt de zon, zoals mijn goede vader altijd zei…’

‘Ja,’ zei Tom Poes, ‘de vlakte hier beneden is een beetje stoffig.’ Heer Ollie zakte wat ineen. Verschillende opmerkingen streden in hem om de voorrang. Het viel hem echter moeilijk om de juiste toon te vinden.

‘Tja,’ prevelde hij ten slotte, ‘men moet wat voor de vooruitgang over hebben!’

Tom Poes zweeg en daarom vervolgde hij haastig: ‘Weet je dat uit twee vierkante kilometers landschap één gram Solium… Ik bedoel… eh… weet je dat één gram Solium een stad een heel jaar van energie kan voorzien?’

‘O ja?’ vroeg Tom Poes.

Er viel een stilte en heer Ollie slikte.

‘Zeg het maar ronduit!’ riep hij driftig. ‘Zeg maar dat je me een natuurvernieler vindt!’

‘Vindt u dat?’ vroeg Tom Poes.

‘Ja,’ riep de bovenbaas, ‘nee, bedoel ik… Dat vind jij, als je begrijpt, wat ik bedoel!’