Bespottelijk ranzige glitterpakjes

Julidans brengt ‘Cassette’ van de jonge choreograaf David Wampach: een ‘campy’ stuk waarin de schoonheid van ballroomdans wordt vernietigd door overdrijving.

Scène uit ‘Cassette’ van choreograaf David Wampach. Foto Julie Laly

Onuitputtelijk zijn ze. Triomfantelijk steken de acht dansers hun armen omhoog, met kracht laten ze hun torsen golven, de heupen wiegen, de vrouwen buigen diep achterover of slingeren een been om hun partner. Abrupt draaien ze van elkaar af, naar elkaar toe. En ze lachen. De mond wijd open, suggestief, geil, uitdagend, 59 minuten lang.

Dat is, in grote lijnen, Cassette van de Franse choreograaf David Wampach (1978). Deze relatieve nieuwkomer volgde, na kort medicijnen gestudeerd te hebben, zijn opleiding bij onder andere P.A.R.T.S. van Anne Teresa De Keersmaeker. Als danser werkte hij met choreografen als Mathilde Monnier en Christian Rizzo. Inspiratiebronnen voor het opmerkelijke – of merkwaardige – groepswerk zijn latin ballroom dans en de Notenkraker (‘Casse Noisette’; de titel Cassette is een samentrekking).

Vreemde combinatie? Niet voor wie Wampachs gedachtegang volgt. Herkenbare sporen van het klassieke kerstballet zijn schaars: een laserkerstboom, een summiere en ietwat scabreuze navertelling van E.T.A. Hoffmanns oorspronkelijke verhaal, de ‘nationale dansen’ en de fameuze Bloemenwals uit het zogeheten divertissement van de tweede akte. Voor het overige is het: rumba, chachacha!

„In de hedendaagse dans”, stelt Wampach, „wordt neergekeken op een ballet als de Notenkraker. Niet serieus genoeg, te veel entertainment. Ik ben dol op entertainment, divertissement, en heb onderzocht of en hoe je er een intellectueel uitdagende, gelaagde voorstelling mee kunt maken. Hoe voorkom je dat het Disney wordt?”

Het antwoord vond hij in de latin dans. Net als in het ballet draait dat om het etaleren van techniek, precisie in beweging. En hiërarchie. Bij een klassiek gezelschap uit zich dat in het tableau met solisten en corps de ballet, in de ballroomdans in de directe competitie.

Om de wereld van de danssport te onderzoeken, reisde Wampach met zijn kostuumontwerpster af naar het Britse Blackpool, waar jaarlijks de belangrijkste wedstrijddansers zich met elkaar meten. „De eerste vraag waarmee we werden geconfronteerd was wat we zouden doen met de rolverdeling van de seksen. Die is visueel heel sterk: de mannen zijn volledig gekleed, meestal zwart, de vrouwen krijgen zo min mogelijk textiel aan hun lichaam. Een rolwisseling zag ik niet zitten, een homopaar evenmin. Het gaat niet over homokwesties. Door het kostuumontwerp hebben we meer gelijkwaardigheid tussen man en vrouw gecreëerd.”

Ook de mannen in Cassette zijn dus gekleed in nauwsluitende, asymmetrische kostuums die hier een bil, daar een borstpartij plus arm vrijlaten of de aanzet van het schaamhaar net onder een zoom laten uitpiepen. Lachwekkend ranzige pakjes. Net zo bespottelijk als de overdreven, veelbetekenende blikken naar het publiek. „In de klassieke les leerden we altijd dat de mensen op het derde balkon ook moeten weten wat je wilt uitdrukken”, vertelt Wampach, „maar in de hedendaagse dans wordt vrijwel niets met het gezicht gedaan. Daar gaan we dwars tegenin.”

Toch heeft Wampach Cassette niet als parodie of kritiek bedoeld. Campy is het stuk wel, geeft hij onmiddellijk toe. „Het artificiële van de bewegingen, de overdrijving – aanwezig in zowel ballet als latin – dat is camp.” De bewust-kitscherige stijl heeft echter een duistere keerzijde die voelbaar wordt in het onafgebroken gegrijns, dat steeds cynischer aandoet. „Door de overdrijving nog eens uit te vergroten, wordt de schoonheid van de dans vernietigd. Net als in They shoot horses don’t they.” Met de verwijzing naar die film over de Amerikaanse dansmarathons die tijdens de crisis van de jaren dertig soms wel dagen duurden, legt Wampach een subtiel verband met het huidige tijdperk. In Cassette dansen acht dansers op de vulkaan, uit alle macht veinzend dat het leven fantastisch is.

10/7, Stadsschouwburg A’dam.