Bangladesh: prachtige heuvels, chaotische steden

Bangladesh, elk jaar weer dat item op het Jeugdjournaal. Overstromingen en duizenden doden. En verder? Verder weet ik weinig van het land. De reisgids bereidt me voor op de oneindige aardigheid van de Bengalen, maar ook op het feit dat er maar weinig witte toeristen komen: de omschrijvingen van de meeste hotels worden aangevuld met zinnen als ‘buitenlanders toegestaan’ of ‘vrouwen mogen hier hoogstwaarschijnlijk niet verblijven’. Ook de reacties van andere toeristen in de regio zijn ontmoedigend: „Je gaat naar Bangladesh? WHY?”

Maar Bangladesh is betoverend. De mensen zijn behulpzaam en dankbaar. Er zijn prachtige heuvels en chaotische steden. Geen Nikes, geen McDonalds, geen Footlocker of Bodyshop. De mannen dragen sjaals over hun hoofd tegen de kou en lunghi’s – lange rokken. De hoofdstad Dhaka is druk en veel te vol. De pikzwarte rivier als levensader door de stad. Op de oever slaan magere mannen met de hand ijzeren platen recht. Die komen van grote schepen en worden hergebruikt.

Omdat Bangladesh betrekkelijk klein is kun je in drie weken het hele land bezoeken; van de moderne kustplaats Cox’s Bazar tot de heuvels in centraal Bangladesh en dan met de trein door naar het noorden. Het licht is er prachtig en de vrouwen plukken overal thee. De wegen in Bangladesh zijn prima, maar de buschauffeurs zijn roekeloos en ongeduldig. De met teer dichtgesmeerde gaten zijn stille getuigen van kleine of grote botsingen. De bussen zijn efficiënt en, uiteraard, snel.

Een van de meest onbereikbare plaatsen van het land is het Bogra-meer. Per bus reis je door de bergen om daarna over te stappen op een boot. Bootje. Piepklein en van hout. De pezige stuurman duwt ons tweeënhalf uur stroomopwaarts.

We zien houten vlotten, wel dertig meter lang, gemaakt van prachtige houten balken, versgekapt, die nu in een soort lange boottrein de rivier afzakken. Dan ineens een betonnen trap. Ruma. Het stoffige stadje telt ongeveer acht straatjes en twee eettentjes. Die laatste zijn in Bangladesh in de regel een beetje zoals onze garages zijn. Twee zijmuren zonder ramen en een open voorkant. Binnen hoor je keukengeluiden, ruik je het vuur of gas, zie je gigantische potten rijst borrelen. Veel variatie is er niet. Herstel – er is geen variatie. Groentecurry en zoete thee met melk, „Uit thee halen wij Bangladeshi mentale kracht om dit land aan te kunnen”, vertelt een restaurant-eigenaar me.

De volgende dag komen we aan bij het Bogra-meer. Het is hier stil. Ik hoor wat gerammel van de golfplatendaken, want het waait hard. Overal staan grote ketels met water en gemberwortels op het vuur. De gember verkopen de inwoners op de markt, maar dat is geen vetpot, en drie uur reizen.

We wachten op de jeep, die jeep die komt. Echt waar.

Een dorpsbewoner slaat met een hamer op zijn duim en een ander plukt riet voor het dak. Er komt een motorrijder aan en iemand speelt een deuntje op een traditionele fluit. Hier verdoe je geen tijd. Hier is tijd gewoon non-existent. Hier ben je, met je witte huid, blauwe ogen en snelle gympen een soort buitenaards wezen.

Na een nacht in een houten huisje op een dikke laag dekens word ik wakker en kijk uit over het meer. En dan hoor ik Last Christmas van Wham. Misschien toch minder ver weg van alles dan ik dacht.