Zwaarden aan boord tegen de Watergeuzen

Een vrachtschip dat tijdens de Tachtigjarige Oorlog op de Zuiderzee verging, is nu opgegraven. De bemanning was bewapend, want de tijden waren gevaarlijk.

Theo Toebosch

Medewerker Archeologie

Naast het vliegveld Lelystad, tussen de zilveruitjes en de tarwe, liggen de resten van een zestiende-eeuws vrachtschip. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog is het in een storm op de Zuiderzee vergaan. Sinds vorig jaar is scheepsarcheoloog André van Holk, bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen, bezig het schip op te graven. „Mogelijk is het een lichterschap, dat tussen de Rede van Texel en Amsterdam voer; met gewapende bewaking als bescherming tegen de Watergeuzen.”

Het wrak, dat in 2003 is ontdekt, is vrijwel compleet en is bijna twintig meter lang en vijf meter breed. Het lag maar dertig centimeter onder het maaiveld en omdat het hout in slechte staat verkeerde, is vorig jaar met de opgraving begonnen.

„We doen het in het kader van een internationale veldschool voor maritieme archeologie”, zegt Van Holk. „Het is een samenwerking tussen de universiteit, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Nieuw Land Erfgoedcentrum. Lelystad en Flevoland betalen er aan mee.”

Het is de eerste keer dat een lichter in Nederland wordt opgegraven. „Vreemd, als je weet dat het bij de Reede van Texel een komen en gaan moet zijn geweest van kleine vrachtschepen. Die sloegen de lading van de grote zeeschepen over en vervoerden die naar de steden rond de Zuiderzee.” In dit geval bestond de lading uit lange ijzerstaven en tonnen met ongebluste kalk.

De opgraving biedt Van Holk allereerst de gelegenheid de vorm en constructie te bestuderen van een schip dat hij tot nu toe alleen van illustraties kende.

„De boeg was breed en de achtersteven ‘gepiekt’ – smal. Zonder die slanke achterkant zou de eenmaster niet zeilwaardig zijn geweest. Zijzwaarden die zeilen met een brede achtersteven mogelijk maakten, deden pas hun intrede in de tijd van de Verenigde Oostindische Compagnie, toen de Nederlanders kennis maakten met Chinese schepen met zijzwaarden.”

Opvallend veel spanten zijn gemaakt van spinthout, de buitenste laag van een boom. Dat is minder sterk dan kernhout en gevoeliger voor schimmels. Van Holk: „Een teken van houtschaarste of zuinigheid.”

Aan het schip zit ook een historisch verhaal vast. Aan boord vonden de archeologen behalve lading ook aardewerken kruikjes en drie rapieren (een scherp gepunt, smal type zwaard dat gebruikt werd in de 16de en de 17de eeuw). De kruikjes dateren van rond 1575. Samen met de rapieren plaatsen ze het schip (dat is gemaakt van bomen die in 1553 zijn geveld) in de Tachtigjarige Oorlog, toen de Watergeuzen de Zuiderzee onveilig maakten. „In een Amsterdams schip uit dezelfde periode, dat levende vis vervoerde, zijn ook een rapier en een hellebaard gevonden. Geen normale wapens voor een visser. Waarschijnlijk had het schip gewapende bewaking aan boord, omdat Amsterdam als een van de weinige havensteden aan de Zuiderzee nog aan Spaanse kant stond.”

De lichter voer vermoedelijk ook op Amsterdam en zal daarom een escorte aan boord hebben gehad. „Je kunt het vergelijken met de huidige bewaking aan boord van zeeschepen tegen Somalische piraten.”

Van Holk heeft ook een idee hoe het schip is vergaan. „Bij een plotselinge zware storm heeft het luik naar het ruim opengestaan – daarop wijst de overslag, de staaf die werd gebruikt om het luik af te sluiten. We hebben hem in het ruim gevonden, waar hij, als hij niet werd gebruikt, werd opgeborgen. Enkele hoge golven zijn in het open ruim terechtgekomen en hebben het schip doen kapseizen, zozeer dat de tegels van de scheepshaard op hun kop zijn terechtgekomen.”

Een zware ijzeren haak in het ruim duidt volgens Van Holk op een berging naderhand. „Zo’n haak is eerder in een negentiende-eeuws wrak gevonden, maar het is bekend dat ze toen ook al aan bergingen deden. Het verklaart waarom we maar twee tonnen ongebluste kalk en een paar ijzeren staven hebben gevonden.”