Zo veel uren op kantoor is helemaal niet goed

Anne-Marie Slaughter constateerde zaterdag dat het vrouwen niet lukt om een topcarrière te combineren met een gezin. We moeten ook niet zo hard werken, betoogt Eloise Bruinink.

Ik merk een conflict op bij Anne-Marie Slaughter in haar essay over de onmogelijkheid van een vrouw om carrière te maken en er tegelijkertijd een gezin op na te houden (Opinie&Debat, 7 juli). Ze wil het allemaal, maar merkt dat het niet allemaal kan. Waarom heeft ze toch die drang om zo onmenselijk veel uren te draaien?

Slaughter schrijft: „Uiteindelijk moet de samenleving veranderen en evenveel waarde hechten aan de keuze om het gezin boven het werk te stellen als om het werk boven het gezin te stellen.” Vroeger deed de vrouw het eerste, en de man het tweede. Nu willen we het allebei. Dit is prima, maar Slaughter vergeet dat er een keuze besloten zit in haar uitspraak. Een keuze voor het één betekent dat je het ander minder kan doen. Slaughter heeft het moeilijk met het maken van deze keuze.

Ze legt uit dat de werkcultuur in de Verenigde Staten het vrouwen aan de top niet gemakkelijk maakt het gezin boven het werk te verkiezen. Niet alleen wordt een vrouw door deze keuze minder serieus genomen, maar ook wordt hard werken naast een gezin praktisch onmogelijk gemaakt. Thuiswerken zit er bij de meeste bedrijven niet in. Er moet veel worden gereisd. Schooltijden sluiten niet aan op werktijden.

Hoewel Slaughter gedurende haar hele verhaal haar twijfels uitspreekt over het harde werken, blijft ze het verheerlijken. Ze suggereert dat je niet hogerop komt als je die tachtig uur niet draait. Nu ze is gestopt met haar hoge baan in Washington, om meer tijd met haar gezin te spenderen, werkt ze nog steeds fulltime, schrijft ze columns, houdt ze jaarlijks veertig à vijftig toespraken, verschijnt ze op de radio en televisie en is ze bezig met het schrijven van een boek. Op hoeveel uur per week denkt u dat dit neerkomt? Echt niet minder dan die baan in Washington. We hebben hier te maken met een echte workaholic.

In dit verhaal lijkt het net alsof er twee soorten ambitieuze vrouwen zijn: vrouwen die in een constante strijd leven tussen werk en gezin, en vrouwen zonder gezin, die ongestoord dagen- en nachtenlang kunnen doorwerken. Dit staat in contrast met opmerkingen later in het artikel, waarin Slaughter zegt dat het „niet per se een vrouwenzaak [is] om een evenwichtiger leven na te streven; evenwicht zou voor ons allemaal beter zijn”. Slaughter bepleit een cultuurverandering, waarin waardering voor de mensen van wie je houdt net zo belangrijk is als het professionele succes dat je nastreeft. Dit gaat niet als je maar stug doorgaat met die tachtigurige werkweek.

Ik vermoed dat haar essay meer slaat op de VS dan op Nederland. Zelf ben ik omringd door hoogopgeleide vrouwen die bezig zijn met carrière maken. Slechts een enkeling werkt zich over de kop. Ook bij het bedrijf waar ik werk is de balans tussen werk en leven allang een prioriteit in het personeelsbeleid. Mijn bedrijf is in Nederland misschien vooruitstrevend, maar zeker geen uitzondering. Flexibel werken wordt zowel technisch als cultureel ondersteund. Sterker nog – het wordt aangemoedigd. Geregeld vanuit huis werken is voordeliger voor de werkgever, de staat en de werknemer. De werkgever is minder geld kwijt aan huisvesting en het vergoeden van treinkaartjes. De staat bespaart door een afname van het woon-werkverkeer. De werknemer heeft een baan én een leven.

Mijn Amerikaanse collega’s werken zich daarentegen nog steeds een slag in de rondte, deze cultuur ten spijt. Op kantoor is als gevolg hiervan weinig ruimte voor sociale interactie. Ze zitten van acht uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds te werken, zonder zich te bekommeren om elkaar. De communicatie beperkt zich tot het werk zelf. Het gevolg is dat collega’s weinig persoonlijke binding met elkaar hebben. Als het op een kantoor alleen maar om werk draait, begrijp ik dat je de moed niet kunt opbrengen om te zeggen dat je vanmiddag om vijf uur weg gaat om wat tijd te nemen voor je partner, je kind, je ouders of je vrienden – tijd voor jezelf, kortom. Als niemand het aandurft vrije tijd te nemen, of dit überhaupt bespreekbaar te maken, zal die cultuur waarin werknemers die tijd nemen voor hun gezin worden „veronachtzaamd en gewantrouwd” nooit veranderen.

Bovendien is zo veel werken helemaal niet productief. Slaughter zegt het zelf ook – je wordt minder effectief als je weet dat je dag nog zal duren tot in de late uurtjes. Een collega doet dezelfde hoeveelheid werk en gaat wel op tijd naar huis.

Je ontneemt jezelf de tijd die je nodig hebt om te genieten van familie en vrienden. Als je die tijd nooit neemt, beperkt je identiteit zich op den duur tot je baan. Je verliest uit het oog wie je werkelijk wilde zijn. Slaughter citeert uit het boek The Top Five Regrets of the Dying: „Ik wou dat ik niet zo hard had gewerkt” en „Ik wou dat ik de moed had gehad om te leven zoals ik zelf wilde, niet zoals anderen van me verwachtten.” Wie zo veel werkt, heeft geen tijd meer om te dromen, om bewuste keuzes te maken over wat hij echt belangrijk vindt in het leven.

Slaughter begint zich dit allemaal langzaam te realiseren, maar een echte keuze durft ze nog niet te maken. Ik lees de laatste tijd steeds meer over ondernemers die een aantal jaar keihard werken, om er vervolgens achter te komen dat ze daar helemaal niet gelukkig van worden. Juist omdat werken zo verslavend kan zijn, is het belangrijk om een expliciete keuze te maken voor balans in je leven.

Eloise Bruinink is afgestudeerd in internationale betrekkingen en werkt als facility manager.