We doen alles fout in de langdurige zorg

Nederland sluit zijn ouderen en gehandicapten op in instellingen waar ze niet meer uit komen. Dit is duur en inhumaan. Het is tijd voor een grondige hervorming, stellen Marc Berg en Marcel Canoy.

Illustratie Jiho

Maar liefst één miljoen mensen waren in de jaren tachtig ‘arbeidsongeschikt’. De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bleek een eindstation waarin werkgevers overtollig personeel loosden, met medeweten van de vakbonden. De hervorming van de WAO was noodzakelijk – omdat het te duur werd, maar ook omdat veel mensen niet in staat werden gesteld hun potentieel te benutten.

De situatie in de langdurige zorg doet denken aan de WAO. In Nederland zitten bijna twee keer zo veel mensen in instellingen voor langdurige zorg als in vergelijkbare landen. Ook de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) is een collectieve voorziening met een ongezonde aanzuigende werking. Geen land ter wereld geeft meer uit aan dit type zorg. Behalve tot een kostenprobleem leidt de AWBZ tot een afname van de zelfredzaamheid, tot een toename van afhankelijkheid en uiteindelijk tot een afname van menselijke waardigheid van kwetsbare mensen. Dit kan niet langer zo doorgaan.

Keer op keer stuiten hervormingen van de langdurige zorg op politieke onwil, onder het motto dat het niet fatsoenlijk is om te ‘bezuinigen’ op ouderen en gehandicapten. Dat we mensen onnodig in instellingen laten belanden, is evenwel genoeg reden om in actie te komen.

De AWBZ vertegenwoordigt de oude verzorgingsstaat. De kwetsbare burger heeft recht op een vastgesteld aantal uren zorg, afhankelijk van een ‘objectieve’ indicatiestelling. Door de jaren heen is de onverzekerbare zorg steeds uitgedijd. Als we zo doorgaan, stijgen de lasten van 13,9 miljard euro in 2010 tot naar verwachting ruim 30 miljard in 2030. Tegelijkertijd worden mensen ouder, gezonder en rijker. De technische en organisatorische mogelijkheden om thuis te wonen zijn sterk verbeterd.

De verschillen met het buitenland zijn groot. Duitsland betaalt drie keer minder aan ouderenzorg dan Nederland. Hoe komt dit?

De kans dat een 65-plusser in een instelling belandt, is in Nederland bijna twee keer zo groot als in Duitsland. Voor mensen met een verstandelijke beperking of psychische problemen geldt iets soortgelijks. De kosten zijn in het buitenland ongeveer op het niveau van onze verzorgingshuizen, maar onze verpleeghuizen en instellingen voor verstandelijke gehandicaptenzorg zijn aanzienlijk duurder.

De drempel om deel te nemen aan publiek betaalde, langdurige zorg is uitzonderlijk laag in Nederland. Dit is historisch zo gegroeid en kent geen ratio meer.

Zorgafhankelijkheid – binnen of buiten een instelling – is niet alleen duur, het is ook een uitermate onbevredigende manier voor de meeste ouderen en gehandicapten om hun leven te slijten. Met betere ondersteuning vanuit het eigen netwerk, slimme thuiszorg en technische hulpmiddelen zouden minder mensen afhankelijk hoeven te zijn van zorg. Dit is goed voor de kwaliteit van leven van betrokkenen en scheelt handenvol geld. Waarom doen we dit dan niet?

De AWBZ ‘zuigt’ mensen de zorg in en kent geen prikkel om mensen weer af te helpen van die zorg. Lege bedden kosten geld. Hoe meer uren een thuiszorgaanbieder kan leveren, hoe beter. Ook levert het extra inkomsten op als zorgindicaties worden verhoogd. Geconfronteerd met een beschikbaar bed is plaatsing van een zorgbehoevende in een instelling voor de familie de weg van de minste weerstand.

De ‘beste’ bestuurders weten hoe ze dit spel moeten spelen. Met zorg voor kwetsbare mensen in de samenleving heeft dit weinig te maken. Het systeem maakt mensen afhankelijker van zorg in plaats van onafhankelijker.

Aanbieders als Buurtzorg, Humanitas en de Herbergier doen het anders. Zij bespreken aan de keukentafel met de cliënt en de familie wat zij zelf nog kunnen doen, en hoe de zorg zo beperkt mogelijk kan zijn. Dit zijn uitzonderingen. Het is moeilijk om je te onttrekken aan de zuigkracht van de AWBZ.

Gerenommeerde onderzoeksrapporten komen tot eensluidende conclusies: de bestaande situatie is onhoudbaar, we hebben te veel mensen in de zorg en in dure inrichtingen, er wordt te veel publiek en te weinig privaat betaald, er is veel te weinig nadruk op zelfredzaamheid, te veel bureaucratie, te weinig ondernemerschap en te veel neiging om de AWBZ te beschouwen als een eindstation, net als de WAO.

Deze ongewenste situatie moet veranderen. De sponswerking van de AWBZ moet een halt worden toegeroepen, vooral omdat ze mensen hun waardigheid ontneemt. Regel dat de thuiszorg samenwerkt met de huisarts en regionale voorzieningen en zich maximaal richt op zelfredzaamheid, de coördinatie van verschillende zorgvragen en ‘ontzorgen’. Zo kunnen mensen worden ondersteund voordat het te laat is en blijven ze in hun eigen omgeving de regie voeren over hun leven.

Hoewel niemand gelukkig wordt van de combinatie van bureaucratie en dehumanisering is hervorming van de AWBZ politiek riskant, door de hoge knuffelfactor en het stijgende electorale belang van ouderen. Bovendien raken hervormingen gevestigde belangen. Het wordt tijd voor een minister van ‘Langdurige zorg’ met lef in plaats van de traditionele AWBZ-staatssecretaris. Die minister kan op de eerste werkdag uitleggen dat het bestaande systeem niet in het belang is van ouderen zelf, en dat meer kwaliteit ook nog eens geld oplevert. Ook bij de WAO is het uiteindelijk gelukt het tij te keren.

Marc Berg is partner bij KPMG Plexus. Marcel Canoy is hoofdeconoom van Ecorys en hoogleraar zorgeconomie aan de Universiteit van Tilburg.