Immigranten mogen geen geld kosten

Na de komende uitbreiding van de EU kunnen de rijke West-Europese landen miljoenen immigranten verwachten. Om de welvaart van het gastland niet te schaden moeten deze niet automatisch van alle sociale voorzieningen kunnen profiteren, meent Hans-Werner Sinn.

Nu de uitbreiding van de Europese Unie dichterbij komt, neemt in West-Europa de vrees toe voor een stroom werkzoekende immigranten uit de postcommunistische landen die toetreden. Als de eerste acht Oost-Europese kandidaten (exclusief Bulgarije en Roemenië) zich inderdaad in 2004 zullen aansluiten, neemt de EU-bevolking immers met zo'n 75 miljoen mensen toe.

Toen twintig jaar geleden Spanje en Portugal toetraden, werd de emigratie naar de bestaande lidstaten getemperd doordat in de jaren zestig in Europa al veel immigranten uit die landen waren gekomen. Maar de migratie uit Oost-Europa werd in die jaren verhinderd door het IJzeren Gordijn. Nu is de inkomenskloof tussen de kandidaten uit het oosten en de EU driemaal zo groot vergeleken met het Iberisch schiereiland destijds. Het IFO-instituut in München verwacht dat in de vijftien jaar na de uitbreiding van de EU zo'n 2,5 tot 3,3 miljoen migranten naar West-Europa zullen komen. Dat zijn grote aantallen, maar er is weinig tot geen reden voor angst – ten minste als de huidige EU-leden voorbereidingen treffen.

Bij een flexibele arbeidsmarkt levert migratie alle betrokken landen meer welvaart op. De emigratielanden profiteren doordat hun onderdanen in West-Europa een inkomen kunnen verdienen – en naar huis terugsturen – dat meestal meer dan voldoende zal zijn om het verlies van binnenlandse toegevoegde waarde en de kosten van de migratie goed te maken. De immigratielanden profiteren doordat de meeste migranten meer toegevoegde waarde produceren dan ze aan loon krijgen.

Helaas is de huidige arbeidsmarkt van de EU te inflexibel om dit resultaat te bereiken. Als de immigratielanden aan chronische werkloosheid lijden doordat de lonen overdreven hoog en rigide zijn – zoals in de meeste West-Europese landen – zullen migranten die werk vinden autochtone ingezetenen uit hun baan verdringen. Hier zal de migratie tot verlies van welvaart leiden. De migranten profiteren, Evenals hun familieleden die thuisblijven en geld krijgen.

De Europese Unie wil dit probleem oplossen door de migratie voor een overgangsperiode van zeven jaar te beperken. Dat is niet de beste oplossing. De beste oplossing is de arbeidsmarkt in het westen flexibel te maken door openbreking van het stelsel van collectieve loononderhandelingen, afschaffing van de regulering van de arbeidsmarkt en hervorming van de welvaartsstaat. Als tegenover elke uitkering een arbeidsplicht komt te staan, zullen de lonen flexibeler worden, zodat de arbeidsmarkt in de EU doelmatiger immigranten kan opnemen.

Maar ook met die maatregelen zullen voordelige sociale voorzieningen de prikkel tot migratie misschien nog versterken. Als immigranten naast hun loon gebruik kunnen maken van voordelige sociale regelingen, zullen er meer worden aangelokt dan nodig is voor de arbeidsmarkt. En door `marginale' migranten, die meer kosten dan ze opleveren, zou de EU een verlies aan welvaart lijden.

Eén manier om dit probleem te beperken is door de volledige integratie van immigranten in het welzijnsstelsel van een gastland een aantal jaren op te schorten. Deze hervorming wordt bepleit door de wetenschappelijke adviescommissie van het Duitse federale ministerie van Financiën. Immigranten zouden mogen komen werken, belastingen en sociale lasten betalen, en vrije toegang hebben tot de publieke goederen van het gastland. Ze zouden ook de sociale overdrachtsbetalingen moeten kunnen ontvangen waar ze via premies volledig aan hebben bijgedragen. Maar ze zouden niet mogen profiteren van sociale voorzieningen die uit belastingopbrengsten worden bekostigd.

Er zou een tijdelijke uitzondering kunnen worden gemaakt voor aanvullende sociale bijstand, huursubsidies of de `uitvoer' van gezinsuitkeringen naar kinderen die in het land van herkomst wonen. De uitzonderingen zouden door elk land zodanig op maat moeten worden gemaakt dat de nettokosten van alle overdrachten van publieke middelen aan en van immigranten op nul uitkomen.

Politici en juristen zullen niets van deze oplossing moeten hebben, omdat ze het EU-principe ondermijnt dat het loon ook een sociaal bestanddeel heeft en omdat ze lijkt op regelingen die op het ogenblik gelden voor EU-burgers die in andere lidstaten wonen zonder daar te werken. In plaats daarvan geven ambtenaren en politici de voorkeur aan een contingenteringsstelsel, waardoor ambtenaren, en niet de markt, bepalen wie er immigreert.

Dat laatste stelsel past formeel misschien beter bij het idee van sociale looncomponent, maar schendt het fundamentele recht van het vrije verkeer van personen dat in het Verdrag van Rome wordt verleend. Alleen mensen die door ambtenaren worden uitverkozen worden volledig opgenomen, terwijl anderen die wel willen maar niet mogen komen met discriminatie worden geconfronteerd.

Een beleid van vertraagde integratie is te verkiezen boven contingentering, niet alleen met het oog op het Verdrag van Rome maar ook op economische gronden. Het opent de mogelijkheid tot verfijning en zelfselectie van migratiestromen en leidt tot veel betere resultaten dan welmenende ambtenaren ooit zouden kunnen bereiken. Bovendien zou het de fiscale druk op de belastingbetalers in de immigratielanden verminderen, waarmee een wedloop wordt voorkomen om de West-Europese verzorgingsstaten te ontmantelen, ingegeven door het doel de dure immigratie af te weren.

Anders dan overgangsperiodes of contingenteringen is een gedeeltelijk vertraagde integratie een marktgerichte oplossing die de Europese verzorgingsstaten kan behouden. Ze kan deze landen in staat stellen te groeien en zich ten volle te ontplooien.

Hans-Werner Sinn is hoogleraar Economie en Openbare Financiën aan de universiteit van München en verbonden aan het IFO-Instituut.

© Project Syndicate

    • Hans-Werner Sinn