Obsessie met schedelmaat

Stephen Jay Gould: De duim van de panda

Contact, 1993. 304 blz. Alleen antiquarisch. Vertaling Maarten Polman.

Richard Dawkins schrijft nog elke twee jaar een invloedrijk boek. Maar die andere grote schrijvende evolutiebioloog van na 1970 is alweer tien jaar dood. Je zou haast vergeten hoe briljant Stephen Jay Gould schreef. Lees dan zijn essays over evolutie die hij van 1974 tot 2001 maandelijks schreef voor het tijdschrift Natural History. Van zijn bundels zijn alleen The panda’s thumb (1980) en Ever since Darwin (1977) in het Nederlands vertaald.

Gould, die paleontoloog was, koos steeds originele onderwerpen voor zijn essays. Dertig jaar later vertonen ze geen spoor van sleet.

Deze bundel is geen rariteitenkabinet. Elke speling van de natuur is een aanleiding om de evolutieleer te demonstreren. Of om historische zijpaden te bewandelen. In een essay beschrijft hij hoe de schedelmaat van de beroemde anatoom Cuvier de wetenschappelijke gemoederen bezighield in het Parijs van 1861.

Gould is geestig en schuwt het persoonlijke niet. Maar net wanneer de lezer met hem meelacht over die rare schedelobsessie, roept Gould hem tot de orde en schrijft glashelder over het wetenschappelijke debat dat erachter schuilt.